• Mail Max:
    molovich@gmail.com

    Max Luistert:



    Max in Zomergasten:
    Gedurende de zomermaanden van 2006 ontving de charmante Connie Palmen drie maal per week de wereldvermaarde, alom bewonderde Max J. Molovich als haar Zomergast. Samen keken zij naar fragmenten die op een of andere manier bepalend zijn geweest voor Molovich' kijk op de wereld in het algemeen en die van hemzelf in het bijzonder. Hup, naar aflevering 1.

    Anderen over
    Max J. Molovich


    Verschrikkelijke man. Heeft geen enkel gevoel voor wat dan ook. Behalve dan voor stompzinnigheden en voor slechte smaak. Kan geen fatsoenlijke vergelijking van een bloedarme rolmops onderscheiden. En is een van de hoofdredenen dat ik uit Nederland ben weggevlucht en mij gehuisvest heb in de buikermat van de civilisatie, Italie.

    Michael Zeeman



    Goede vriend. Van mamsie ook trouwens. Heeft mij altijd gesteund in wat ik deed. Heeft ook als een van de weinigen in Nederland begrepen dat ik niet zozeer fout was in de oorlog, alswel dat de oorlog fout was in mij. Ein essentieel verschil, zeg ik u.

    Prins Bernhard (1892-2004)



    Aardige jongen, lousy schrijver.

    Beau van Erven Dorens



    Ontzettend sympathieke man. Wijs man ook. Heeft altijd wel iets te zeggen waar je wat van op steekt. Bovendien kan hij 'm aardig raken. En mensen die drinken, dat zijn leuke mensen.

    Connie Palmen



    Max Jee Molovich huh? Wie is dat? Oh, die baardaap, huh. Lafaard!

    Willibrord Frequin



    Haha. Nou. Hij mag blij zijn dat ie niet Holovich van achteren heet, want dan had ik 'm zo gevraagd of ik m'n lolly in z'n holovich zou mogen steken. Hahahaha.

    Gordon



    Die Max J. Molovich ist ein very good citizen. I asked him once for advice and he gave me advice. Very good advice, actually. You should be very carefull of him, because I think that once he is dead, he isn't capable of doing things like this any more. And that would be a shame. Protect your enviroment!

    Arnold Schwarzeneggert




web-log.nl, powered by TypePad

24 mei 2009

Chimsky

Logo
Hoewel u hier waarschijnlijk niet meer komt, wil ik toch even melden dat ik weer een nieuwe plek heb om mijn al dan niet zinloze gedachten met u te delen. Chimsky heet het. En het is er aangenaam toeven.

4 mei 2008

Dus

Zoals u in uw onmetelijke alertheid wellicht gemerkt hebt, doe ik hier niet zoveel meer. Het blijkt me zelfs te veel moeite te kosten om stukjes die ik reeds heb geschreven, even te kopiëren en op deze plek te plakken. Daarom heb ik, op deze schitterende dag waarop wij bij de gevallenen stilstaan, besloten er maar eens mee op te houden. Wilt u mij blijven volgen (en dat wilt u), dan kunt u in het vervolg beter naar mijn pagina op salonblog Panzerfaust surfen. Het is daar overigens sowieso wel gezellig. Meestal. Mocht u hier toch nog even willen blijven hangen, hier is het archief. En brengt u ook eens een bezoekje aan Shayne. Ze heeft u nodig.

16 april 2008

BLS 1.13: Het was maar een grapje, Abraham

In de Bijbel Lees Sessies (BLS) doet Max J. Molovich verslag van zijn poging de bijbel van begin tot eind te lezen. Wilt u dit lezen met plaatjes en onderschriffies, dan moet u hier zijn.

Abraham en Isaäk 2

Wie veel drinkt in gezelschap loopt het gevaar op gezette tijden in een zogenaamde filosofische discussie te belanden. Op zulke gelegenheden, die met een behoorlijke regelmaat plaatsvinden in huize Molovich, mag mevrouw Molovich graag aanhalen wat zij ooit over Kierkegaard heeft geleerd, te weten de drie stadia van het bestaan: het esthetische, het ethische en het religieuze. Het eerste stadium (het esthetische dus) zou belichaamd worden door Mozarts creatie van Don Juan, die op aarde is om zoveel mogelijk vrouwen te veroveren. Hij is totaal egocentrisch en ziet de vrouw als gebruiksvoorwerp dat alleen betekenis heeft wanneer ze zijn lusten weet te bevredigen. Een narcistisch roofdier, dat enkel en alleen leeft om zijn seksuele honger te stillen. Het stadium waarin Joran van der Sloot verkeert, kortom.

Het tweede stadium (het ethische) wordt belichaamd door Socrates, een enorme pain in the ass die in de vijfde eeuw voor Christus zijn Atheense stadsgenoten het leven zuur maakte door hen vervelende vragen over zichzelf te laten beantwoorden (onder het motto: ken uzelf en u kent God), waardoor hij zo onuitstaanbaar werd dat het geen verbazing mag wekken dat de Atheners op een gegeven moment genoeg hadden van dat hooghartige gedoe en Socrates dwongen zelfmoord te plegen. Dat deed Socrates vervolgens nog ook, waarbij hij van de gelegenheid gebruik maakte om zijn treurende vrienden met flauwe grapjes te ‘vermaken’. De man nam, kortom, niets serieus, zelfs zijn eigen dood niet. Dat hij bereid was om voor zijn ideeën te sterven, maakte hem volgens Kierkegaard de ethicus bij uitstek. In deze vragende zeur herkennen wij Peter R. de Vries, wiens ‘vind je dat normaal of zo?’ en ‘doe je dat thuis ook?’ de hedendaagse varianten zijn van Socrates’ “wat is dat eigenlijk, goedheid?”Het derde stadium (het religieuze) komt ons wat wereldvreemd voor vandaag de dag. Kunnen wij Socrates, die bereid was voor zijn ideeën te sterven, nog begrijpen; met iemand die zich overgeeft aan iets wat volledig buiten zichzelf ligt, kunnen wij ons steeds moeilijker identificeren. Als belichaming van het derde stadium koos Kierkegaard Abraham, de man die bereid bleek zijn zoon op te offeren voor God. Abraham had zoveel vertrouwen in het hogere dat hij zelfs geen moeite had zijn nageslacht op te geven. Over die belangrijke passage uit de bijbel wilde ik het vandaag graag met u hebben.

Voor het zover was, gebeurde er nog wel het een en ander. Zo loog Abraham voor de tweede keer in zijn leven dat zijn vrouw zijn zuster was uit angst te worden vermoord door geile bewoners van het land waarin hij in die dagen vertoefde. Dat zijn vrouw inmiddels ruim de negentig was gepasseerd mocht kennelijk geen probleem heten, want inderdaad: al snel laat koning Abimelech Sara weghalen om haar tot zich te nemen. Gelukkig besluit God om Abimelech te waarschuwen voordat hij de fout begaat seksuele gemeenschap met Sara te hebben. Uit voorzorg had hij overigens alle vrouwen in de buurt van Abimelech onvruchtbaar gemaakt. Waarna Abimelech de volgende dag Abraham laat komen om te vragen waarom deze gelogen had. Ja, zegt Abraham, dat zit zo: ik was bang dat jullie me zouden doden om mijn vrouw, bovendien (en nu komt de aap uit de mouw): “En bovendien is zij werkelijk mijn zuster; zij is de dochter van mijn vader, maar niet de dochter van mijn moeder; en zij is mij tot vrouw geworden.” (Gen. 10:12)

Dat geeft nogal een hele andere betekenis aan het gezegde ‘als broer en zus leven’, want in het volgende hoofdstuk lukt het Abraham eindelijk om bij zijn hoogbejaarde halfzus een zoon te verwekken, die zij Isaäk noemen. Sara is als een kind zo blij, en lacht de hele dag, ondanks de ongetwijfeld pijnlijke bevalling. Ze kan, kortom, haar geluk niet op. Totdat ze zich ineens weer bedenkt dat Abraham nog een zoon heeft, die hij bij de slavin Hagar had verwekt. En Sara draagt Abraham op om Hagar met haar zoon de woestijn in te sturen en hoewel Abraham het hier eigenlijk niet mee eens is, doet hij dit toch, omdat God heeft gezegd dat hij naar Sara moet luisteren. Om een lang verhaal kort te maken: in de woestijn komen Hagar en Ismaël bijna om van honger, dorst en uitputting, totdat God hen een waterput wijst en belooft dat uit Ismaël een groot volk zal voortspruiten. Ismaël zal de stamvader van de Arabieren (en daarmee van de Islamieten) worden, Isaäk van de Joden. Volgens de Koran is het Ismaël die door Abraham bijna geofferd wordt, volgens de Bijbel is het Isaäk. En aangezien dit de Bijbel Lees Sessies zijn, gaan wij voor het tweede verhaal. Maar dat zal voor morgen zijn, want anders wordt dit verhaal wat lang. En u heeft vermoedelijk wel wat beters te doen.

"Hierna gebeurde het, dat God Abraham op de proef stelde.” (Gen. 22:1) Op die manier wordt een van de belangrijkste en tevens een van de meest huiveringwekkende verhalen van de bijbel ingeleid. Op dezelfde achteloze manier als God ooit Adam tot Zich riep, vlak voordat Hij hem het paradijs uit gooide, roept hij nu de naam van Abraham. Abraham, die niets door heeft, antwoord opgewekt: “Hier ben ik.” (Gen. 22-2) En dan, uit het niets, op volmaakt valse wijze, stelt God Zijn vraag: “Neem toch uw zoon, uw enige, die gij liefhebt, Isaäk, en ga naar het land Moria, en offer hem daar tot een brandoffer op een der bergen, die Ik u noemen zal.” (Gen. 22-3)

Bemerk die smerige opbouw in Gods vraag. Het begin klinkt als een vriendelijk verzoek om er eens tussenuit te gaan. Neem eens een dagje vrij, Abraham, en neem je zoon mee, je enige zoon, je zoon van wie je zo ontzettend veel houdt, die zoon die je niet de woestijn in hebt gestuurd. Ga toch eens wat leuks doen met z`n tweeën, een beetje die band tussen vader en zoon versterken! Ga naar Moria, daar hebben ze een leuke speeltuin, daar kunnen jullie samen een ijsje eten. En o ja, als je daar toch bent, offer Isaäk dan gelijk even voor me, wil je? Bij voorbaat hartstikke bedankt!

En Abraham, religieuze gek die hij is, trekt Gods onmetelijke wijsheid niet in twijfel, verrekt geen spier en doet wat van hem verlangd wordt. De volgende dag gaan hij en zijn zoon, in het gezelschap van twee knechten, op pad naar de berg die aangewezen zal worden als ze er zijn. Het blijkt nog een hele trip: pas de derde dag ziet Abraham, bij het ontwaken, de berg waar hij zijn zoon moet offeren. Hij vraagt zijn knechten halt te houden, en hij gaat met zijn zoon alleen verder. Abraham geeft zijn zoon het brandhout waarop deze niet veel later zou moeten branden. Hijzelf neemt het vuur en het mes met zich mee. En zo gaan ze met z’n tweetjes op weg.

De tocht naar de offerplaats is hartverscheurend. Isaäk, het schrandere joch, bemerkt al snel dat er iets vreemds aan de hand is. Kinderen voelen zoiets. Vader is wat stilletjes. En bovendien: ze hebben alles bij zich, behalve een lam om te offeren. “Toen sprak Isaäk tot zijn vader Abraham en zeide: Mijn vader, en deze zeide: Hier ben ik, mijn zoon. (Bemerk hier overigens hoe Abraham een beetje de manier van spreken van God overneemt, nu hij tot zijn zoon spreekt, red.). En Isaäk zeide: Hier is het vuur en het hout, maar waar is het lam ten brandoffer?” Abraham antwoordt dat God Zichzelf zal voorzien van een lam ten brandoffer. Ik stel me zo voor dat de tranen over Abrahams wangen biggelden terwijl hij dit antwoord gaf, en dat hij de snik in zijn stem probeerde te verbergen en daardoor wat zachtjes klonk, zodat hij het antwoord moest herhalen.

De manier waarop Abraham zijn zoon uiteindelijk op het altaar legt, wordt zonder enige opsmuk beschreven. Er staat eenvoudigweg dat Abraham een altaar bouwde, het hout schikte, Isaäk vastbond, en hem bovenop het hout legde. Daarop strekte Abraham zijn hand uit en nam het mes om zijn zoon te slachten. Er komt geen gejank aan gepas, geen dramatische smeekbedes van de zoon aan zijn vader, het drama lijkt zich in volmaakte sereniteit af te spelen.

Maar net als Abraham op het punt staat om zijn zoon te slachten, daalt de Engel des Heren neer om te vertellen dat het allemaal een grapje was. Voor het eerst in de bijbel lijkt God (in de gedaante van de Engel des Heren) een beetje in paniek: “Maar de Engel des Heren riep tot hem van de hemel en zeide: Abraham, Abraham!” (Gen. 22-11) Zowaar, de Here durft Zich voor de gelegenheid zelfs een uitroepteken te permitteren. Dat had God niet verwacht, dat Abraham Hem zo serieus zou nemen. Niet dat Hij dit toegeeft. God zou God niet zijn als Hij er geen Zichzelf bevestigende draai aan wist te geven: “Strek uw hand niet uit naar de jongen en doe hem niets, want nu weet Ik, dat gij godvrezend zijt, en uw zoon, uw enige, Mij niet hebt onthouden.” (Gen. 22-12) Ik vind: zo ga je niet met je onderdanen om. Totale overgave is niet iets om luchthartig over te doen, daar mag je niet mee spelen. Dat God daar anders over denkt, zal later bijvoorbeeld ook Job nog duur komen te staan. Maar dat duurt nog een paar duizend bladzijden.

Als Abraham even later zijn ogen weer opslaat, ziet hij een ram in de struiken staan. “En Abraham ging en nam de ram en offerde hem ten brandoffer in plaats van zijn zoon. En hij noemde die plaats: De Here zal erin voorzien.” (Gen. 22-13-14) Nee, enig gevoel voor understatement valt Abraham niet te ontzeggen. God, ongetwijfeld overspoeld door gevoelens van spijt, schaamte en wroeging, zweert dat Hij Abraham en diens zoon rijkelijk zal zegenen. En voor de zoveelste maal belooft hij Abrahams nageslacht zeer talrijk te maken: “Als de sterren des hemels en als het zand aan de oever der zee, en uw nageslacht zal de poort zijner vijanden in bezit nemen. En met uw nageslacht zullen alle volken der aarde gezegend worden, omdat gij naar mijn stem gehoord hebt.” (Gen. 22-18) Dat is wel het minste wat je kan doen, denk ik dan.

Abraham en Isaäk keren vervolgens terug tot de knechten. Wat Abraham en Isaäk elkaar hebben gezegd toen ze de berg afwandelden, zegt de bijbel niet. Ik stel me zo voor dat Isaäk niet precies begreep wat hem was overkomen. Ben ik nu werkelijk aan de dood ontsnapt, wilde mijn vader mij nu echt offeren aan zijn God? Dat zou hij zich hebben afgevraagd, maar hij zou de vraag niet hebben durven stellen, bang als hij was voor het antwoord. En ik stel me zo voor dat Abraham zocht naar woorden om tegen zijn zoon te zeggen, woorden om hem gerust te stellen, woorden om de sfeer wat te verluchtigen, hij zocht de juiste woorden, maar wist deze niet te vinden, en bleef dus maar zwijgen. Vader en zoon, daar lopen ze, de berg af, zonder iets te zeggen.

Volgens Kierkegaard heeft Abraham met deze proeve van geloof het hoogste stadium van het mens zijn bereikt. Enkel en alleen verantwoording aan God hoeven af te leggen, maar niet bij machte zijn je zoon te vertellen wat er zojuist gebeurd is. Ik noem het liever absolute waanzin.

10 april 2008

Désanne van Brederode

Voor dit stukkie met plaatjes en onderschriffies moet u hiero wezen.

Desanne van Brederode 5

Zo nu en dan, als de sterren juist staan, sta ik op zondagochtend wel eens vroeg genoeg op om de salonintellectueel uit te hangen en eerst naar Boeken en dan naar Buitenhof te kijken. Soms komp het zelfs voor dat ik een staartje van het piep- en ploinkprogramma Vrije Geluiden meepik, waarvan ik de presentator het een keer heb zien klaarspelen om het niet ondeskundige rockgroepje Hospital Bombers naar hun instrumenten te sturen met de vraag 'welke compositie' ze van plan waren te spelen. Maar dat terzijde.

Als Buitenhof om vijf voor twaalf wordt aangekondigd, hoop ik altijd dat de columnist van dienst Désanne van Brederode is. Niet om te genieten van haar 'zorgvuldig geformuleerde' en 'mooi met taal werkende' zinnen (zoals het op deze plek ooit eens werd verwoord), maar juist omdat ik mij dan lekker in ouderwetse ergernis kan wentelen.

Désanne van Brederode. Wie met zo'n naam op de wereld wordt gezet is gedoemd om een leven lang, hunkerend naar hoofse liefde, geen spiegel voorbij te gaan zonder even een blik op zichzelf te richten. Je ziet het al hoe ze naast het katheder van Buitenhof staat. Daar staat een meisje dat lang vervlogen normen en waarden in ere houdt, een meisje met verheven idealen die de waan van de dag mijlenver weten te ontstijgen, een meisje dat weet hoe ze zich moet kleden, en dat er voor kan zorgen dat de wereld een heel klein beetje liever zou worden als zij eindelijk baas zou zijn van het journaal.

Het eerste wat mijn ergenisalarm altijd hevig doet loeien, is haar trommelvliezen teisterende stemgeluid. Ze klinkt als Femke Halsema die met zo'n Calimero-stemmetje een klein meisje nadoet. Vrouwen van rond de dertig praten wel eens op die wijze met elkaar als ze aan de rest van het café willen laten zien dat ze goeie vriendinnen zijn. Désanne van Brederode klinkt altijd zo. Bovendien lijkt ze elk moment op het punt aan te belanden dat ze breekt en in huilen uitbarst. Daar kan zij niks aan doen, hoor ik u zeggen, en dat kan wel zijn, maar wat ik de avond ervoor ook gegeten heb, het heeft altijd een desastreuse werking op mijn maaginhoud. Het duurt nooit lang voordat de eerste oprispingen zich aanmelden. En dat mag ik haar misschien wel niet kwalijk nemen, ik merk altijd dat ik dat wel doe. Praat eens normaal, hoor ik mezelf dan naar het TV-scherm schreeuwen. Maar ze gaat gewoon door.

En waar ze mee doorgaat, is het verkondigen van haar mening. En die mening, waar die ook over handelt, is altijd even correct, even saai, even braaf, bevat altijd dezelfde zweem van doordachtzaamheid, dezelfde zelfgenoegzaamheid, en (en dat is nog het ergste) hetzelfde dédain jegens mensen die wat minder verheven denken dan zij. Maar als je door al die schone schijn heen weet te prikken (en dat is meestal niet zo moeilijk), slaat het meestal nergens op.

Zo sprak ze een paar maanden geleden over haar bezoek aan Wenen tijdens de Kerstvakantie. Zij belandde toen, terwijl zij rustig met haar gezin aan de hotelbar zat, tussen een troep bejaarde Nederlandse hotelgasten, die net terugkwamen van een of andere Strauss-uitvoering. Ik citeer even: "Na afloop van het concert, aan de hotelbar, gedroegen ze zich als brallende pubers. 'Die wijn is troep! Hoho, niet voordringen! Ik zeg: in Holland had ik mijn pilsje allang gehad! Maar dat versta jij zogenaamd niet, hè?'" Speciaal voor de gelegenheid declammeerde ze de citaten van de bejaarde hotelgasten met een Amsterdams accent, dat ze uiteraard geenszins beheerste, omdat het een net meisje is.

Haar geliefde Wenen bleek tot een commerciële kermis verworden waar brallende Hollandse bejaarden de dienst uitmaakten. Gelukkig nam ze de volgende dag de streekbus naar Beethovens werkadressen: "Het viel op dat de weinige Beethovenliefhebbers, Russisch, Japans, Frans, Amerikaans of Italiaans, niet haastig, geërgerd en kwebbelziek langs de gedenktekens marcheerden, de camera in de aanslag: ze namen voor elk detail de tijd." Geen Hollander te bekennen, kortom. Om het te verpesten voor de rest.

Hierover nadenkend komt vrouwe Van Brederode tot een verbluffende ontdekking: "Identiteit heeft niets met Blut und Boden te maken, of, wat netter, met je wieg en wortels, maar alles met je lievelingsmuziek." En dan krijgt ze een idee: "Misschien kunnen we nieuwe landen maken, een land voor Mozartfans, voor Bachadepten, een land voor Beethovenvereerders. Vrij internationaal verkeer gegarandeerd, maar je weet: bij een bezoek aan Straussland de oordopjes mee, niet om de Nieuwjaarswalsjes te vermijden, maar om overeind te blijven tussen de agressief luidruchtige bewoners."

Een weinig subtiel weet ze vervolgens een verband te trekken tussen Jörg Haider-aanhangers en Strauss-liefhebbers, tussen brallende bejaarde Hollanders en xenofobie. Waarna ze in één moeite door beweert dat het wel meevalt met de xenofobie van de luidruchtigen zolang ze hun muziek maar van over de grens halen. Alsof het bloed en de bodem van Strauss zo heel erg ver afstaan van de Hollandse klei waaruit Fransje Bauer is getrokken.

Ik bedoel, het slaat nergens op. En het maakt bovendien duidelijk in wat voor wereld Désanne van Brederode leeft. In een wereld waarin luidruchtige Hollandse bejaarden die je kerstrust komen verstoren je grootste nachtmerrie vormen. In een wereld waarin xenofobie niets meer is dan een oprisping waarover je je geen enkele zorgen hoeft te maken zolang mensen naar buitenlandse componisten luisteren. En in een wereld waarin er geen andere muziek bestaat dan klassieke muziek. Dat er mensen bestaan die graag de polonaise doen op de wanstaltige walsjes van Johan Strauss luisteren, valt te overzien. Zolang je je oordopjes maar bij je hebt en je je kunt terugtrekken naar Beethovenland, waar iedereen "het hele jaar aandachtig naar muzikaal vuurwerk luistert, zonder er hard doorheen te klappen." Maar ik dan? Naar welk land zal ik moeten worden gedeporteerd? Afgelopen vrijdag heb ik nog uitbundig staan meeschreeuwen met en bier gegooid naar de Claw Boys Claw. Ik vrees dat ons Buitenhofprinsesje het niet had overleeft. Eeuwig op de vlucht voor de klassiekfundamentalisten zal mijn lot vermoedelijk zijn, opgejaagd door de vazallen van Désanne van Brederode, tot ik mij voorgoed onvindbaar maak in een grot in Tora Bora.

2 april 2008

Du Levande

U wilt dit stukkie met wat meer leuke plaatjes? Hiero.

Du Levande - You, the Living
Momenteel draait in de Nederlandse bioscoopzalen onder de Engelse titel ‘You, the Living’ de film Du Levande, van de Zweedse regisseur Roy Andersson. In onze vaderlandse pers is deze film (zie hier de trailer) met gejuich ende klaroengeschetter ontvangen. En hoewel Du Levande een paar zeer fraaie momenten kent, durf ik hier toch wel met volle overtuiging te beweren dat het enthousiasme van de usual suspects enigszins ten onrechte is. Het kijken naar Du Levande is geenszins een marteling van twee uur te noemen, alleen, de lof die het nu alom krijgt toegezwaaid, verdient enige relativering.

De gemoedstoestand waarmee ik na vertoning van de film op het IFFR (nu bijna twee maanden geleden) de Rotterdamse nacht betrad, was een zeurend gevoel van onbehagen. Niet het soort onbehagen dat je hebt na het zien van een film van David Lynch, en ook niet het soort existentiële onbehagen waarmee Bob den Uyl zijn onweerstaanbare verhalen heeft gevuld, maar meer het soort ongehagen dat je hebt wanneer je de hele nacht wakker wordt gehouden door een mug die zich, met tussenposen van een klein kwartier, telkens weer herinnert dat hij zijn zinnen heeft gezet op het bloed in je oorschelp.

Mijn irritatie zat ‘m voornamelijk in de gratuite aard van Anderssons absurdisme, die zo consistent doorgevoerd wordt, dat je het gevoel krijgt naar iets te kijken wat wel degelijk enige betekenis heeft, maar dat uiteindelijk niet heeft. Andersson doet alsof hij iets belangrijks te vertellen heeft over de condition humaine door een reeks trage, melancholisch getinte sketches over zijn publiek uit te storten, die aaneen hangen van het menselijk tekort in het algemeen en miscommunicatie in het bijzonder. Maar eigenlijk vertelt hij niet zoveel meer dan dat wij, de levenden, gedoemd zijn te mislukken en dat wij desondanks moeten blijven proberen er het beste van te maken. Op zich een prima boodschap, maar doordat het in zo'n strak concept gegoten is, raakte ik tijdens het kijken niet zozeer in de bedoelde melancholische stemming, maar in een melige. En dat kan nooit de bedoeling zijn geweest.

Vanaf de tijd dat hij commercials maakte, filmt Andersson eigenlijk uitsluitend in scènes die uit één statisch shot bestaan, en die het van een perfecte timing moeten hebben. Mensen die willen laten merken dat ze niet van de straat zijn, noemen zo'n uit één camerastandpunt geregistreerd tafereetje een tableau vivant. (Merk op dat ik, door enigszins denigrerend te spreken over ‘mensen die willen laten merken dat ze niet van de straat zijn’, een excuus verzon om ongestraft het woord tableau vivant te kunnen gebruiken, waarmee ik op mijn beurt laat merken niet van de straat te zijn.) Zie bijvoorbeeld de still bovenaan deze pagina uit een scène waarin een oud mannetje tergend traag achter zijn rollator het beeld in komt lopen en blijft doorlopen totdat blijkt dat hij een in zijn lijn verstrikte teckel achter zich meesleept. Als afzonderlijk filmpje kan dat best grappig zijn, maar als onderdeel van een twee uur durende reeks meer en minder geslaagde grol du jours kon het me maar matig boeien.

Zo nu en dan toont Du Levande een tafereeltje dat wel het onthouden waard is. De scène waarin een plaatselijke, uit werklozen en gepensioneerden bestaande fanfare in een leegstaand flatgebouw oefent terwijl buiten het noodweer losbarst, wist mij werkelijk te betoveren. Maar dat kan ook komen doordat ik heel erg van zich traag voortslepende fanfaremuziek houdt. En het eindshot, waarin zich langzaam een deken van B52’s over het niet bestaande postsocialistische stadje ontvouwt, kon tellen qua eindshot. Maar dat was het wel zo’n beetje. Of nee, wat ook wel aardig was, was een scène waarin een man tijdens een mislukt familiediner de sfeer een beetje wil opkrikken door de truc met het tafellaken uit te voeren, maar doordat de tafel een kleine acht meter lang is, flikkert het eeuwenoude familieservies met al het kabaal van dien te pletter. Als gevolg daarvan wordt de veroorzaker van dit famlieleed ter dood veroordeeld door rechters die halverwege het vonnis een goed glas bier vanonder hun toga vandaan halen.

Dat goede glas bier van die rechters verpestte het voor mij vervolgens, want daardoor werd ik er weer op geattendeerd dat Du Levande opgezet was als een serie achter elkaar gezette dromen van een hoopje mistroostige en wanhopige mensen. Net terwijl de scène iets gezelligs kafkaiaans begon te krijgen, moesten die rechters zonodig bier gaan drinken tijdens de rechtzitting. Waarmee ik op mijn zoveelste punt van kritiek kom: het op een misverstand rustende idee dat dromen interessant zijn. Je eigen dromen zijn dat misschien, andermans dromen zelden. Hoe mooi ze ook in beeld zijn gebracht. Tenzij dromen een functie hebben in je verhaal, moet je ze niet verfilmen. Dat je hele verhaal uit een reeks dromen bestaat, noem ik geen excuus.

Terwijl ik afgelopen zondag over de saaiheid van dromen mijmerde, plopte ineens, als een soort pop-up in mijn gedachten, de film Living in Oblivion naar boven. Daarin probeert een door Steve Buscemi gespeelde wanhopige regisseur een tot mislukking gedoemde film te maken. In die film zit een droomscène waarin een dwerg figureert. Op een gegeven moment heeft die dwerg er genoeg van en valt hij uit tegen de regisseur: “Waarom, als er een droom gefilmd wordt, moet er altijd een dwerg in voorkomen? Niemand droomt ooit over dwergen. Zelfs ík droom nooit over dwergen.”

13 maart 2008

Boekenbal 2038: Van oude menschen en de dingen die hetzelfde blijven

Wilt u dit stukje lezen met plaatjes en geinige onderschriffies, moet u hier zijn.

Harry_mulisch

Harry Mulisch (Foto: Anton Corbijn, 2036)

VAN UW VERSLAGGEVER IN DE VERRE TOEKOMST: Het was weer een dolle boel gisteren, op de zoveelste aflevering van het Boekenbal. De hoeveelste het precies was, wist niemand met zekerheid te zeggen. De meesten waren de tel kwijtgeraakt. Dat wij inmiddels in het jaar 2038 leefden, was bij de het merendeel wel bekend, maar aangezien geen van de ondervraagden zich kon herinneren wanneer het eerste boekenbal had plaatsgevonden (waar een niet onaanzienlijk deel van de genodigden overigens bij aanwezig was geweest) heeft niemand een poging gewaagd het uit te rekenen. Had men zich wel kunnen herinneren dat het eerste bal in 1947 was georganiseerd, dan nog was waarschijnlijk niemand in staat geweest het uit te rekenen, aangezien het rekenkundig vermogen bij de aanwezige schrijvers schitterde door aanwezigheid.

Wie, zoals gewoonlijk, ook schitterde door afwezigheid was schrijver-profeet Arnon Grunberg. Vanaf zijn berg in Madagascar had hij per postduif laten weten dat hij, samen met zijn 144-koppige gevolg, liederen zou zingen voor het zielenheil van A.F.Th. van der Heijden. “De ziel van collega Adri is immers doodziek”, aldus de immer bedeesde Grunberg na lezing van Van der Heijdens nieuwste boek ‘Breuklijn 0522’ (zowel het 84e deel van de Tandeloze Tijd als het 52e van Homo Duplex), het ruim 1800 pagina’s tellende 'meesterwerk' (dixit Arjan Peters) dat handelt over de moordaanslag op premier P.R. De Vries door Natalee van der Sloot in 2024, tegen de achtergrond van de aardbeving die in datzelfde jaar grote delen van Noord- en Zuid-Holland en Flevoland wegvaagde. Niks nieuws onder de zon dus. Het mag zo langzamerhand een traditie genoemd worden, Grunberg die voor het zielenheil van zijn ‘antichristje’ zingt.

Heleen van Royen Samen met haar echtgenoot Ton arriveert boekenballaureaat Heleen van Royen iets te vroeg (de rode loper was nog niet eens uitgerold) bij de schouwburg. Van der Heijden zelf was overigens de hele avond zeer in zijn nopjes, maar dat kan ook gelegen hebben aan de extra zuurflessen die hij toegediend had gekregen nadat Heleen van Royen bij binnenkomst spontaan bij hem op schoot was komen zitten. Bij Van Royen schoot hierdoor de heup uit de kom, wat tot algehele hilariteit leidde. Iedereen was het er over eens dat het door haar geschreven boekenweekgeschenk, getiteld ‘Een gerimpelde kut kan ook van verlangen branden’, een toonbeeld van goede smaak en diepgang was in een maatschappij die soms van normvervlakking aan elkaar lijkt te hangen. Bovendien bleek het Boekenweekgeschenk eindelijk weer eens aan te sluiten bij het thema van de Boekenweek: Heilig Vuur.

In het kader van dit thema had Freek de Jonge beloofd ‘nog eenmaal het heilig vuur te doen oplaaien’, door zichzelf op het podium in brand te steken. Het werd niet met zoveel woorden gezegd, maar het leek er verdacht veel op dat dit vooruitzicht voor de opgelaten stemming zorgde die over de avond heerste. Men heeft het inmiddels wel gehad met Freek de Jonge. Iedereen hield de adem dan ook in toen Freek de Jonge het podium betrad. Als Cees Nooteboom niet zo luidruchtig had lopen snurken, had men een speld kunnen horen vallen. Zou de wereld dan eindelijk verlost worden van het eeuwige gezeur van De Jonge? Met hoge uithalen en een buitenproportioneel gevoel voor dramatiek begeleidde de inmiddels stokdove ‘komiek’ de bevende gang van zijn rechterhand naar zijn linkerbinnenzak, waarin een zakflaconnetje kerosine en een doosje lucifer zouden zitten. De teleurstelling was enorm toen De Jonge meldde dat hij het doosje lucifers kennelijk had laten liggen bij de crematie van zijn vrouw Hella, die een week daarvoor had plaatsgevonden. De performance eindigde ermee dat De Jonge aankondigde een vuurtje aan de 110-jarige Harry Mulisch te gaan vragen die, zoals bekend, inmiddels alleen nog maar uit een hoofd in een glazen wekpot bestaat en dientengevolge, bij gebrek aan ledematen, niet in staat is een lucifer af te strijken. Daar komt nog eens bij dat de heer Mulisch reeds lang geleden gestopt is met het roken van zijn pijp en daarom vermoedelijk helemaal geen lucifers bij zich had. Het enige komische van de hele happening was dat Freek de Jonge de rem van zijn fonkelnieuwe rollator nog niet wist te vinden en bij de gang naar de trap van het podium in de concertbak lazerde. Maar toen dat gebeurde was de zaal inmiddels grotendeels verlaten. Iedereen zat immers reeds in de foyer, of leefde zich uit op de dansvloer. Voor zover je daar bij een gezelschap waarvan de gemiddelde leeftijd 92 jaar bedraagt van kunt spreken.

De avond verliep verder zonder noemenswaardige incidenten. Zoals de traditie dicteert, werd de complete inrichting van de Meppelse Schouwburg langzaam maar zeker kaal gestript. Wij zagen Cees Nooteboom met een gigantische kroonluchter op zijn schoot en een even zo grote grijns op zijn gezicht uit de schouwburg geduwd worden door zijn levensgezelin Sacha de Boer. Beau van Erven Dorens blèrde dat hij Albert Verlinde op zijn bek zou slaan, aangezien deze iets beledigends had gezegd over Van Erven Dorens beschamende optreden in het door hemzelf geschreven RTL Boulevard: The Musical. Het gebrek aan gefronste wenkbrauwen dat dit stukje drama opleverde had iets tragisch. De rest van de avond was Van Erven Dorens jankend boven de wc-pot te vinden.

Joost Zwagerman bleef bij DJ Vinkenoog maar om plaatjes van het lang vergeten, maar volgens de bebrilde schrijver zwaar onderschatte Twarres zeuren. Ergens had hij wel een punt, want de hele avond naar 'Everybody must get stoned' van de vorig jaar overleden Bob Dylan moeten luisteren was wel heel eentonig, ook al is het nog zo'n legendarische bootleg waarop je het gegrinnik van Beatles-poeet Alan Ginsberg kunt horen als je goed luistert. Twee politieagenten zorgden ervoor dat Leon de Winter niet binnen een straal van 30 meter tot Jessica Ellian-Durlacher kon naderen. De monumentale trap van de Meppelse schouwburg werd aan het eind van de avond uiteraard ingenomen door het hoofd van Harry Mulisch en zijn dierbaren. En Connie Palmen zoop en rookte weer dat het een aard had. In het getekende gelaat van de comateuze Hans van Mierlo was bijna een glimlach te ontdekken. Tot volgend jaar.

6 maart 2008

No Country for Old Men

Wilt u deze tekst lezen met plaatjes en onderschriffies, moet u hier zijn.

Ogen
Ooit zag ik een documentaire over het recht in Nederland, waarin een rechter vertelde dat hij in de ogen van de misdadigers, hoe vreselijk hun misdaden ook waren geweest, altijd wel iets menselijks kon ontdekken. Een klein vonkje van berouw, of spijt, of onmacht, of schaamte, of woede. Behalve bij een, daar zag hij helemaal niks. In No Country For Old Men hebben de gebroeders Coen het voor elkaar gekregen om een personage te creëren wiens ogen de overtreffende trap van niks weerspiegelen. Ogen als zwarte gaten waarin al het goede verdwijnt. Iemand die niet moordt omdat hij ervan geniet, of omdat hij een hoger doel heeft, of iets moet wreken, of gefrustreerd is, maar gewoon omdat het zo nu en dan wel zo gemakkelijk is. Hij moordt wanneer het hem uitkomt, en dat is behoorlijk vaak.

Nu zult u wellicht denken: hebben de gebroeders Coen het leven van Rik Felderhof verfilmd? Nee, dat hebben ze niet. No Country For Old Men is een verfilming van het gelijknamige boek van Cormac McCarthy, wiens afgemeten proza de werelden van zwijgzame mannen beschrijft die vechten tegen de elementen, of tegen elkaar. Het Absolute Kwaad in No Country for Old Man luistert naar de naam Anton Chigurg (gespeeld door Javier Bardem) en draagt een pikzwart minstrelenkapsel dat elke verbeelding tart. Het hoofd daaronder is buitenproportioneel groot, de ogen liggen diep in de kassen, zijn omringd door zwarte kringen, en hebben dikke donkere wenkbrauwen als timpaan. Anton heeft twee favoriete wapens: een shotgun met een enorme geluidsdemper, en een gasfles met daaraan een slangetje waarmee je slachtvee pneumatisch een pin in het hoofd kunt jagen. “They never know what hit them”, zegt sheriff Ed Tom (Tommy Lee Jones) daarover. Hij heeft het op dat moment over koeien, maar het geldt evengoed voor de slachtoffers van Anton.

Vanaf het allereerste begin van de film weet je dat je iets te wachten staat. Dat hier hele erge dingen gaan gebeuren. Dat dit anders is dan anders. Een naar voorgevoel, zeg maar. Het is 1980. Vietnamveteraan Llewelyn Moss (Josh Brolin) stuit, tijdens zijn jacht op een antilope, midden in de woestijn van West-Texas op een kringetje pick-ups met daaromheen wat dode mannen en dode honden. Ikzelf zou mij meteen uit de voeten hebben gemaakt om zo spoedig mogelijk de autoriteiten in te lichten, maar Llewelyn is mij niet. Het komt er in het kort op neer dat hij uiteindelijk een koffertje met twee miljoen dollar vindt, dat hij meeneemt. Stom natuurlijk, want iedereen weet dat daar problemen van komen, en Llewelyn weet dat ook, maar omdat hij in Vietnam heeft gediend, verkeert hij in de veronderstelling dat hij wel voor hetere vuren heeft gestaan, en dat het hem wel gaat lukken om hier zonder al te veel kleerscheuren en als rijk man uit naar voren te komen.

Nu moeten we Llewelyn nageven dat hij niet voor één gat te vangen is. Hij staat zijn mannetje, weet hoe je zo min mogelijk risico moet nemen, blijkt behoorlijk vindingrijk en zeer koelbloedig. Wanneer hij in een snel stromend riviertje, terwijl hij net in zijn schouder is geraakt, wordt achtervolgd door een bloeddorstige pitbull, is hij alert genoeg om eerst het magazijn van zijn revolver droog te blazen, alvorens hij de op hem af springende hond door de borst schiet. Kuddo’s voor Llewelyn.

Net als in Fargo hebben de gebroeders Coen ook in No Country For Old Men een huiselijk tegengewicht voor alle destructieve krachten die de wereld teisteren en zoveel levens opeisen. In Fargo was het de zwangere politieagente Marge die zich zo nu en dan hardop afvroeg waarom het toch allemaal nodig was, al dat geweld. In No Country For Old Men is het de door Tommy Lee Jones gespeelde sheriff Ed Tom Bell die hoofdschuddend door de film wandelt. Hij is oud, hij is moe, hij heeft veel gezien, maar waar hij nu tegenover staat, daar is hij niet tegen opgewassen. Dat weet hij. Ergens aan het eind van de film zegt hij tegen een collegasheriff het gevoel te hebben op een spook te jagen. Maar het is geen spook. Het Absolute Kwaad loopt gewoon rond, en het moordt zoals u en ik zo nu en dan een doos opzij zetten die in de weg staat. (Met dit verschil dat Anton vaker een mens tegenkomt die hem in de weg staat, dan u en ik een doos. Tenzij u bij een verhuisbedrijf werkt, of in een dozenfabriek.) Gelukkig heeft Ed Tom een liefhebbende vrouw die de melancholie van haar man liefdevol accepteert en bereid is zo nu en dan naar zijn dromen te luisteren.Dat No Country For Old Men onnavolgbaar knap in beeld is gebracht, hoef ik u hopelijk niet te vertellen. Het zijn de gebroeders Coen, goddamnit. En ze hebben nog nooit zo mooi geregisseerd, gefotografeerd en gemonteerd. Vandaar het gratis Officiële Panzerfaust Omfietsadvies©® aan de Academy of Motion Picture Arts and Science: geef die mannen een Oscar. En geef Javier Bardem er ook een. Want het Absolute Kwaad, daar geef je niet zomaar gestalte aan.

19 februari 2008

Darwin en de Reuzenkoeskoes

Wie dit stukkie met geinige foto's en dito onderschriften wil lezen, moet hier zijn.

Evolutie

In het kader van de Panzerfaust Week van de Basiskennis (PFWVDBK) zou ik graag beginnen met het weerleggen van de evolutietheorieën van Darwin.

Charles Darwin
en z'n evolutie, wie is er niet groot mee geworden? Hele volkstammen natuurlijk, maar daar gaat het nu niet om. Iedereen die tegenwoordig serieus genomen wenst te worden in dit deel van de beschaving, moet de termen natuurlijke selectie en de strijd om het bestaan in zijn rugzakkie vol basiskennis hebben zitten Survival of the fittest, hoor je ook vaak. (Overigens, heb ik tot nog maar een minuut of drie geleden altijd in de veronderstelling verkeerd dat ‘fittest’ sterktste of fitste betekende. Ontzettend stom van mij natuurlijk, en dat terwijl ik van ver vóór het Studiehuis ben. ‘Fittest’ schijnt, zo begrijp ik van Wikipedia, van ‘to fit’ te komen wat aanpassen betekent. Survival of the fittest betekent, kortom, de Overleving van de meest Aangepaste. Dus niet de sterkste overleeft, degene die zich het best heeft aangepast. Een belangrijk verschil. Heeft u weer wat om in uw rugzakje te stoppen.)

Nu las ik afgelopen zaterdag een artikeltje in het NRC-tie waarin een of andere bioloog, Stephen P. Hubbell genaamd, aan het woord kwam die op een of ander eilandje in een of andere grote oceaan het een of ander aan het onderzoeken was. Op dit eilandje, met een oppervlakte ter grootte van Texel, bevond zich een duizelingwekkende verscheidenheid aan planten- en dierensoorten. Die diversiteit was zo groot dat de strijd om het bestaan in feite onder je ogen plaatsvond. Als ergens iets verdween, kwam er iets anders voor in de plaats. “Welke factor”, zo vroeg de man zich af, “zorgt er nu voor welk organisme een ander organisme vervangt.” De man was, als ik het goed heb begrepen, tot de conclusie gekomen dat er een volledige willekeur aan ten grondslag lag. Alle soorten bleken aan elkaar gelijk. Of preciezer gezegd: de verschillen tussen de soorten zijn niet relevant voor het evolutionaire succes. Dit noemde hij 'de neutraliteitstheorie'. Het enige wat je met zekerheid kon zeggen was dat een soort met een grote populatie een grotere kans had om zich te verspreiden dan een soort die uit een kleine populatie bestond. Maar los daarvan bleken alle soorten gelijkwaardig aan elkaar, en hadden alle soorten een evengrote kans om ergens, waar dan ook, te overleven. Hij had daar nog een formule bij verzonnen die, tot nog toe, niet weerlegd was, hoe graag andere evolutionisten dat ook zouden willen. Die andere evolutionisten schenen namelijk niet blij te zijn met de theorieën van meneer.De conclusie dat alle soorten gelijkwaardig aan elkaar zijn en in wezen een even grote kans hebben om te overleven, deed mij denken aan het essay ‘Een dag uit het leven van de reuzenkoeskoes’ van Karel van het Reve, uit de gelijknamige bundel. In dit artikel, uit het jaar 1979, uit de ‘geleerde broer’ van Gerard reeds zijn twijfels over het Darwinisme. Hij heeft drietal kanttekening geplaatst:

1. Nieuwe soorten ontstaan door mutaties. Volgens evolutionisten blijven mutaties, door natuurlijke selectie, bestaan als ze een direct voordeel opleveren. Echter, die mutaties doen er honderdenmiljoenen jaren over om tot een definitieve versie te komen. Wat K. van het Reve zich afvraagt, is hoe die tussenliggende fases ervoor hebben gezorgd dat de soort kon blijven bestaan. De tussenliggende fases die misschien niet meteen voordeel opleverden, maar volstrekt nutteloos waren.

2. Hoe kan het dat een soort die een bepaald voordeel níet heeft, toch kan blijven voortbestaan? De giraffe heeft een langere nek zodat hij beter bij de hoge blaadjes kan. Dat heeft zijn voortbestaan bevordert. Hoe kan het dan dat de zebra, die niet bij de hoge blaadjes kan, dan nog niet is uitgestorven? Waarom, als de sterksten overleven, hebben de zwaksten de strijd om het bestaan niet verloren? Omdat, zo zeggen de evolutionisten, de zwakkeren weer andere voordelen hadden, die hun voortbestaan hebben verzekerd.

3. Waarmee Van het Reve met zijn derde, en belangrijkste kritiekpunt komt: het Darwinisme klopt altijd. Achteraf kun je altijd iets vinden waardoor het sluit. “Zodra een soort overleeft, weet men precies díe eigenschappen aan te wijzen die tot dat overleven geleid hebben. En zodra een soort uitsterft weet men te vertellen waarom de arme dieren niet opgewassen waren tegen de strijd om het bestaan.”

Met behulp van wetenschapsfilosoof Karl Popper laat Karel van het Reve zien dat het Darwinisme, net als het Marxisme, een theorie is die ‘onweerlegbaar’ is: er valt geen plant of dier te bedenken dat door zijn bestaan de theorie omver zou kunnen werpen. De theorie klopt altijd. Van het Reve haast zich erbij te zeggen dat dit niet hoeft te betekenen dat de evolutietheorie niet waar is. Wellicht is het wel waar, maar te bewijzen valt het niet, want het tegendeel is onmogelijk te bedenken. Het Darwinisme redeneert terug. Als iets het heeft overleefd, dan heeft het overleefd doordat het heeft overleefd. Eigenlijk moet het niet zijn ‘survival of the fittest’, eigenlijk is Darwinisme ‘survival of the survivors’.

Vervolgens valt Van het Reve ook nog eens Popper aan, die beweert dat plant, mens en dier zich ontwikkelt door ‘trial and error elimination’. Door te testen en dat wat niet voldoet te elimineren, verbeteren plant, mens en dier zich. Volgens Van het Reve is dit echter onzin. Een gewoonte of een eigenschap kan duizenden jaren bestaan zonder dat het een bewezen nut heeft. Zo geloven hele volksstammen dat kamillethee goed is tegen de verkoudheid, terwijl dit nooit is bewezen. Maar omdat niemand er minder van wordt, kan het blijven bestaan: “Daarin onderscheidt het spoelen met kamille zich van het eten van cyaankali. “ Aldus Van het Reve. Trial, zo zegt hij, moet niet worden opgevat als iets wat men probeert om te kijken of het ergens goed voor is. Trial is iets wat men probeert en wat herhaalbaar is. Valt iets te herhalen, dan gaat men er mee door. Anders probeert men weer iets anders. (Dit deed mij overigens denken aan een gedichtje dat ik ooit heb gehoord over alcoholisme, waarin de dichter zich afvraagt waarom hij zoveel drinkt. Het antwoord luidde als volgt: “Why does a dog licks his arse? / Because he can.”) Zo moeten mutaties ook gezien worden. Iets ontstaat omdat het kan bestaan. Iets evolueert omdat de nieuwe situatie niet nadelig is. Het gaat er niet zozeer om of iets voordelen oplevert, het gaat erom dat er niet zoveel nadelen aan kleven dat het tot uitsterven leidt. Ik weet niet hoe het in de huidige stand van de wetenschap gesteld is met de evolutietheorie. Of men zich iets van de kanttekening van Van het Reve heeft aangetrokken. Van Wikipedia begreep ik dat er nog steeds wel zo’n beetje hetzelfde over denkt als toen, eind jaren ‘70. Zeker waar het natuurlijke selectie betreft. Maar, kijkend naar de bevindingen van Stephen P. Hubbell, zou Van het Reve er wel eens niet zo heel ver naast kunnen zitten. Het leek mij dan ook nuttig om u, onafhankelijk denker die u bent, met bovenstaande gedachtegangen te laten kennismaken. Al is het maar om te weten dat ook basiskennis, hoe basaal ook, altijd in twijfel getrokken kan worden.

15 februari 2008

Valentijns-e-kaarten

Sneeuwwitje In het kader van Valentijnsdag (14 februari) heb ik gisteren wat e-kaartjes gemaakt die u extragratis en voor extraniks hier kunt downloaden om op te sturen naar het object van uw verlangen. Echte liefde kent uiteraard geen vaste datum. U kunt ze dus net zo goed het hele jaar doorsturen.

8 februari 2008

Joran het monster

Om dit stukjes met fotootjes en onderschrifffies te lezen, moet u hier zijn.

In de loop van zondagavond, toen half Nederland aan de buis gekluisterd zat om te zien hoe Peter R. de Vries de Zaak Holloway had ‘opgelost’, verspreidde zich in Drachten het gerucht dat Joran van der Sloot daar was gesignaleerd. Al snel een kleine menigte verzameld voor het huis waar volksvijand nummer 1 zich schuil zou houden. Er kwamen cameraploegen op af die aanbelden bij ene Johan die, gevraagd naar de whereabouts van Joran van der Sloot, door de intercom meldde dat hij daar niks over kon loslaten. Aan dit mysterieuze antwoord hadden de Drachtenaren genoeg. Voor de camera van 1 Vandaag zag ik een vrouw die zei dat ze Joran van der Sloot naar ‘de heer zou helpen’, mocht die het in zijn hoofd halen zijn huis te verlaten. Anderen hadden zich reeds de toegang weten te verschaffen tot het appartementencomplex en wisten door te dringen tot de deur van de onfortuinlijke Johan, die binnen voor zijn leven zat te vrezen. Uiteindelijk is het met een sisser afgelopen, toch meen ik dat wij hier getuige waren van een ouderwetse lynch mob. Het enige wat ontbrak waren de hooivorken en de brandende fakkels.

Er zijn, met name in de jaren ’30, een aantal belangrijke films gemaakt over de machinaties van volkswoede. Films waarin het volk het recht in eigen handen neemt en besluit om de crimineel in kwestie dan zelf maar op te jagen en af te maken. Politie en justitie staan immers toch maar met de handen in de zakken langs de zijlijn. Zie bijvoorbeeld M – Eine Stadt sucht seine Mörder, van Fritz Lang, waarin een burgerwacht op jacht gaat naar een fluitende kindermoordenaar, en al snel het zekere voor het onzekere neemt en zich op alle outcasts gaat uitleven.

Terwijl ik zo aan het nadenken was over soortgelijke films, wist ik ineens aan wie Joran van der Sloot mij al die tijd had doen denken. Vanaf de eerste keer dat ik ‘m had gezien, in een uitzending van Nova, probeerde ik te achterhalen waardoor Joran van der Sloot mij zo bekend voorkwam. En nu, terwijl ik mij films probeerde te herinneren waarin een angry mob het recht in eigen handen nam, films waarin een menigte, gewapend met brandende fakkels en hooivorken, een medemens hun dorp uitjoegen, schoot de film Frankenstein (James Whale, 1931) mij te binnen. Daar viel het kwartje: die vierkante kop van Joran van der Sloot deed mij al die tijd denken aan de kop van Frankenstein, zoals gespeeld door Boris Karloff.

Joran Frankenstein

In deze scène zien we hoe Frankenstein wordt uitgenodigd door een klein, onschuldig meisje om mee te spelen aan de waterkant. Frankenstein gaat zo op in de lieflijkheid van het spelletje, dat hij, uit puur enthousiasme, het meisje op een gegeven moment in het water gooit, waarin ze verdrinkt. Frankenstein weet dat hij een fout heeft begaan, dat hij zijn fout niet meer goed kan maken, en dat hij niet zou kunnen uitleggen wát er precies fout ging. In plaats van een goeie vriend in te schakelen, die het lichaam doet verdwijnen, terwijl hij zelf naar huis gaat om wat porno te downloaden zodat hij een alibi heeft, raakt Frankenstein in paniek. Het duurt niet lang voordat de dorpsbewoners door hebben hoe de vork in de steel zit en hun klopjacht beginnen. Die klopjacht eindigt met het in brand steken van een molen, waarin ze Frankenstein hadden weten op te jagen.

De volgende Frankenstein-film (The Bride of Frankenstein, James Whale, 1935) begint waar de eerste Frankenstein-film eindigde: bij de brandende molen. In deze scène ziet u hoe actrice Una O’Connor als juffrouw Minnie in haar eentje gestalte geeft aan het fenomeen volkshysterie. Het monster is dood, en alle problemen zijn voorbij. U kunt zich wel voorstellen hoe zij, met haar tot aan de wortels van het scrotum doortrillende schrille stem, voor de hoogste boom pleitte toen het monster nog vrij rondliep. Het stikt in de wereld van de Minnie’s die, wanneer ze de mogelijkheid krijgen, hun eigen morele superioriteit denken te bewijzen door zo hard mogelijk om vergelding te schreeuwen. Het soort dat in mei 1945 met hun scheerapparaten in de aanslag de moffenhoeren buiten hun huizen stond op te wachten. Maar nu kun je veel van de Minnie’s zeggen, verantwoordelijk voor het monster zijn ze nooit. In Frankenstein was het een geflipte wetenschapper die voor God speelde door uit dode mensen een levend wezen te creëren. Maar wie is er verantwoordelijk voor de creatie van het monster Joran?

In eerste instantie is dat Joran zelf. Wat er ook gebeurd is op dat strand, als die jongen zich nu een beetje gedeisd had gehouden, in plaats van constant op uitnodigingen van Pauws en Wittemannen in te gaan, dan was het allemaal nooit zo uit de klauwen gelopen. Het begon allemaal toen Joran zich door Twan Huys liet interviewen, ergens op een hotelkamer in Amerika, waar hij was op uitnodiging van een talkshow, waarin hij zijn onschuld zou bewijzen. Dat hem dat nooit zou lukken met dat rare hoofd van ‘m, wist kennelijk niemand hem duidelijk te maken. Maar al snel begon Joran van de aandacht te genieten. Hoe meer hij in de publiciteit kwam, hoe onaantastbaarder hij zich leek te wanen. Bovendien bleek dit deel van het monster, zoals gecreëerd door Joran en de media, veel aandacht van de chickies op te leveren.

Het andere deel van het monster, het deel dat de volkswoede deed ontlaaien, is gecreëerd door mad scientist Peter R. de Vries. Peter R. zag weer eens een buitenkansje om zichzelf in de schijnwerpers te zetten, en dit keer zouden de schijnwerpers zo fel zijn dat hij vanaf de hele wereld te zien zou zijn. Om zoveel mogelijk publiciteit te genereren begon P.R. de Vries drie dagen voor de uitzending te verkondigen dat hij de Zaak Natalee Holloway had opgelost. Niet opengebroken, maar opgelost. Dat is nogal wat. (Nu had hij de moord van JFK ook al eens opgelost, dus ik nam het al met een korreltje zout.) Zo zag hij zich verzekerd van optimale media-aandacht.

Aangezien ik geen zin had om mijn beoordelingsvermogen door de manipulaties van De Vries te laten vertroebelen, heb ik afgelopen zondag echter niet naar de bewuste uitzending gekeken. Bovendien kan ik er fysiek niet tegen, naar iets kijken dat twee uur duurt, terwijl het in een half uurtje verteld had kunnen worden. Dat eindeloze uitsponnen van De Vries, dat rekken, dat continu samenvatten van wat er tot dan gebeurd is, die tergend trage reconstructies, tv voor debielen, ik kan er niet tegen. Helaas won ook bij mij m’n nieuwsgierigheid het zo nu en dan van mijn voornemen niet te kijken, zodat ik, in de reclamepauzes van 40 Year Old Virgin, toch een paar keer ben uitgewaaierd naar Peter R. de Vries, misdaadverslaggever.

Zo zag ik al meteen, rond de klok van half tien, dat de strijd tussen De Vries en Van der Sloot persoonlijk was geworden: de uitzending begon met het wijnincident. Het was of Peter R. de Vries met deze uitzending wraak ging nemen. Een half uurtje later zag ik Joran van der Sloot in de Range Rover tegen zijn nieuwe vriend Patrick bekennen dat hij de nacht toen hij Natalee Holloway in zee had laten dumpen uitstekend had geslapen. Waarop wij Peter R. de Vries vanaf het strand van Aruba op ernstige toon in de camera zijn oordeel zagen vellen over Joran van der Sloot, met die dodelijk saaie stem van ‘m: “Geen seconde heeft hij er minder om geslapen. Hoe gewetenloos kan iemand zijn?” Vroeg hij retorisch. Peter R. de Vries ontmaskerde, klaagde aan en sprak het vonnis uit. Daar, in die door Peter R. de Vries geprepareerde auto, zat een gewetenloos monster. We konden het allemaal zelf zien. Het oordeel over Joran zou definitief geslecht worden door de moeder van Natalee Holloway, die speciaal door Peter R. de Vries was overgevlogen uit Alabama. Waarom er niet even zelf naartoe gaan, denk je dan, als je zo begaan bent met het lot van deze radeloze vrouw. Maar nee hoor, zoals zovelen voor haar moest ook Beth Twitty in dat armoedige studiootje van Peter R. de Vries plaatsnemen, om daar te vernemen dat haar oogappeltje haar laatste adem uitblies terwijl ze manueel bevredigd werd door Joran van der Sloot. En diezelfde Joran van der Sloot vertelde nu tegen zijn goede vriend Patrick van der Eem ervan te hebben gebaald dat ze levensloos niet meer in staat bleek een wederdienst uit te voeren. Peter R. de Vries wreef het er nog even in bij mevrouw Holloway: “Hoort u dat, hoe respectloos hij praat over Natalee?” Ja, ze had het gehoord. Joran van der Sloot verdiende het niet om te leven.

Ondertussen had Peter R. de Vries de zaak Holloway natuurlijk helemaal niet opgelost. Hij had een illegaal verkregen bekentenis van een pathalogische leugenaar op tape staan. We kunnen met zekerheid zeggen dat Joran van der Sloot weinig talent voor compassie heeft, wellicht kun je zeggen dat hij een narcistische persoonlijkheid heeft, dat hij een sociopaat is voor mijn part, je kunt zeggen dat het een misselijk mannetje is, dat ie minder intelligent is dan ie zelf denkt. Je kunt ook zeggen dat het een kind van z’n tijd is, opgevoed door ouders die niet in staat bleken hem de verleidingen te ontzeggen die hem deden ontsporen. Je kunt een hoop zeggen, maar het moet voor een beetje advocaat inmiddels een koud kunstje zijn om niet alleen te zorgen dat Joran van der Sloot uit het gevang blijft, maar ook nog eens een fikse schadevergoeding krijgt voor de beschadiging van zijn naam, waarmee hij wellicht de vergoeding kan betalen die de advocaten van de familie Holloway in een civiele procedure zouden kunnen eisen (heb ik van Spong geleerd). Rechtsgeldig heeft de bekentenis van Joran van der Sloot geen enkele betekenis, en dat wist Peter R. de Vries maar al te goed. Anders had hij wel even gecheckt of die Daury überhaupt in Aruba was toen hij het lijk van Natalee Holloway uit z’n bootje kieperde. Het ging Peter R. de Vries niet om de waarheid, het ging hem erom Joran van der Sloot aan het kruis te nagelen. En dat is hem gelukt. Met dank aan een hydraulische slangenboer met een enorm litteken op zijn wang, die niet zozeer achter de waarheid moest komen, maar ervoor moest zorgen dat Peter R. de Vries’ eerdere vermoedens bevestigd zouden worden. En met dank aan de gretigheid waarmee de mens bereid is zijn medemens te veroordelen om het eigen geweten te sussen.Inmiddels is de oplossing van de dood van Natalee Holloway misschien wel verder weg dan ooit. Of zal het niet lang meer duren voordat Joran dan toch echt doorslaat en eindelijk bekent dat zijn vader en de broer van Patrick van der Eem hem die nacht geholpen hebben om zich van het lichaam te ontdoen, en dat Patrick van der Eem (die nog een rekening had openstaan bij judge Van der Sloot uit de tijd dat hij in heroïne handelde en dat mysterieuze litteken had opgelopen) en Joran de handen ineen hebben geslagen en de bekentenis in scène hebben gezet om zo de echte dader te ontzien? Je weet het niet. Met dank aan Peter R. de Vries.

6 februari 2008

Gefeliciteerd, majesteit!

(Deze tekst verscheen op de verjaardag van onze vorstin, op Panzerfaust.Beatrixji2

Lieve Koningin Beatrix,

Hoe is het met u, op deze heuglijke dag? Goed, mag ik hopelijk aannemen. Staat u mij toe u van harte te feliciteren? Zeventig jaar alweer, wat vliegt de tijd toch. Ik heb even een rekensommetje gemaakt, om te weten wanneer uw vader, wijlen Prins Bernard, zijn soldaatjes in gereedheid bracht om u te verwekken. Negen maanden voor 31 januari 1938. Ik kom dan uit op 1 mei 1937. Dag van de Arbeid, zoals u ongetwijfeld weet. Maar, belangrijker nog, één dag na de verjaardag van uw moeder, (toen nog prinses) Juliana. Het moge duidelijk zijn: uw ouders hebben de liefde bedreven in de nacht na het feestje ter ere van de 24e verjaardag van uw moeder. Dat moet een dol feestje geweest zijn. Het moet voldoening geven te weten het product te zijn van zoveel vreugde en liefde.

Zo nu en dan, als ik niks beters te doen heb, vraag ik me af hoe het is om de koninklijke opvolger te zijn. Om opgevoed te worden met het idee ooit dit land te zullen leiden. Om op die taak voorbereid te worden. Om die taak te accepteren. Of juist om ‘m te weigeren. Maar zo makkelijk is het natuurlijk niet om ‘m te weigeren. Het is vrijwel onmogelijk, durf ik zelfs te zeggen. Een koningin mag nooit twijfelen over haar koningschap. Zij dient het als vanzelfsprekend te ervaren, en zij dient zich als vanzelfsprekend van haar taak te kwijten. Voor haar onderdanen moet zij de onverzettelijkheid zelve zijn. Het moet soms koud zijn, in die burcht van eenzaamheid. Ik heb mij wel eens laten vertellen dat u eigenlijk een tweeling bent, maar dat uw tweelingbroertje dood geboren is. En dat hij meteen na de geboorte, heimelijk in de paleistuinen is begraven. Een hartverscheurend verhaal, wat eens te meer de tragiek van uw bestaan als belangrijkste inwoner van Nederland benadrukt. Alleen op de wereld.

Niet zo gek dus dat u rookt als een ketter. Ik heb het zelf nog nooit mogen aanschouwen, maar het schijnt dus dat u, na alle protocolaire zaken, zichzelf zo snel mogelijk afzondert om een sigaretje te roken. Ik heb zelfs begrepen dat u daarvoor altijd een aparte ruimte tot de beschikking wenst te hebben. Uiteraard veroordeel ik u hier niet om. Integendeel, het deed mij deugd te horen dat mijn vorstin niet van de sigaretjes kon afblijven. Voor het eerst zag ik u als Mensch. En zoals uit uw taakomschrijving mag worden geconludeerd: het is u ook van harte gegund. Alleen, ik vind het zo jammer dat u er niet voor uit wenst te komen. Dat u dit aspect van uw persoonlijkheid verborgen wil houden voor uw volk.

Aan het eind van haar leven was uw moeder dement, dat weet iedereen. Waarom mochten wij dat niet weten? Waarom is het zo ondraagelijk om zwakte te tonen? Vanwaar die schaamte? Door te tonen dat u rookt, zou u vele van uw onderdanen een hart onder de riem steken. Zeker in deze moeilijke tijden, waarin de roker steeds meer als een paria van de samenleving wordt weggezet. Hoe meer men rookt, hoe lager men in aanzien staat. Alleen de armen roken nog. U kunt dat beeld rechtzetten.

Nog even en het wordt ons verboden in cafés een rokertje op te steken. Wat heeft het dan nog voor zin, lieve vorstin? Waarom zou ik dan nog naar het café gaan? Wij hebben, net als u, ook zo nu en dan een sigaretje nodig. Het zal niet lang meer duren of wij kunnen nergens meer terecht. En dan zal het ook niet lang meer duren voordat u geen ruimte meer kunt regelen om rustig uw sigaretje te kunnen nuttigen. U zult dat meemaken, voordat u gestorven bent. Let op mijn woorden. En dan zult ook u zich genoodzaakt zien om als een dief in de nacht ergens stiekem in één of ander toilet aan uw gerief te komen. Een onverwarmd toilet. En bibberend kijkt u dan naar hoe de rook zich een weg richting de vergetelheid kringelt. Dat is toch geen doen van iemand van boven de zeventig? In wat voor samenleving leven wij, als zelfs onze Koningin tot een paria wordt gemaakt? En u heeft al zo'n eenzaam beroep. Red ons, majesteit.

Laat mij u daarom een hart onder de riem steken, op deze vreugdevolle dag. Omdat we thans in het jaar van de aardappel leven, leek het me gepast om, bij wijze van cadeau, een aardappelportret van u te maken. Met sigaret, dat spreekt. Namens de voltallige redactie van Panzerfaust: gefeliciteerd.

Leve u. Hoera! Hoera! Hoera!

29 januari 2008

Omar

Wie dit stukje wil lezen met geinige plaatjes en dito onderschriffies moet hier zijn.

Omar Devone Little in z'n blauw satijnen ochtendjas (die stond 'm goed)

Omar Devone Little. Daar wil ik het vandaag met u over hebben. Een van de uitzinnigste personages uit de televisiegeschiedenis. U kunt ‘m bewonderen in The Wire, dat dan weer een van de beste televisieseries uit de televisiegeschiedenis is. The Wire (van HBO), mocht u er nog nooit van gehoord hebben, speelt zich af in Baltimore. Of B-more, zoals de negers het zelf graag noemen. En dan met name in de projects van West-Baltimore, waar nietsontziende drugsbendes de dienst uitmaken.

The Wire heeft zich vermomd als een bloedstollend spannende politieserie. Maar net zoals The Soprano’s het maffiagenre ontsteeg en Deadwood de western, is The Wire veel meer dan een politieserie. Het is vooral een sociaal kritisch portret van een stad waarin iedereen gevangen zit in de problemen die jaren van wanbeleid en verwaarlozing en bureaucratische regeltjes hebben veroorzaakt. En iedereen krijgt een gezicht. Van de onbeduidenste straatjochies voor wie het snelle geld, het aanzien en de gevaren van de drugsscene lonken tot de machthebbers die aan de touwtjes trekken.

De bedenkers van The Wire zijn David Simon, voormalig journalist van The Baltimore Sun, en (in iets mindere mate) Ed Burns, voormalig rechercheur in Baltimore. De twee weten waarover ze het hebben en zijn in staat gebleken hun ervaringen met hun onderwerp dusdanig naar het televisiescherm te vertalen, dat je niet anders kan dan denken: zo moet het zijn. Gevraagd naar het waarheidsgehalte van The Wire schijnt een 17-jarig junkie ooit tegen The Guardian gezegd: “Er is één verschil met de realiteit: in The Wire zie je nooit iemand naar The Wire kijken, terwijl in Baltimore íedereen naar The Wire kijkt.”

Zoals het hoort bij dit soort omfietsdrama zijn de bad guys niet alleen bad en de good guys niet alleen good. De scheidslijn tussen goed en kwaad valt niet te trekken. Er loopt er maar één rond die er echt een strakke morele standaard op nahoudt, en dat is Omar (gespeeld door Michael K. Williams). Hij verdient zijn brood met het beroven van drugsbendes. Aan vloeken doet hij niet, op zondag gaat hij met zijn oma naar de kerk en gewone burgers laat hij met rust. Hij pakt alleen degenen die ‘in the game’ zitten, maar die pakt hij dan ook genadeloos. Omar schrikt er niet voor terug om een kogel door een anus te jagen als de neger in kwestie niet snel genoeg doet wat hij vraagt.

Als Omar op jacht gaat, kleedt hij zich in een lange regenjas en draagt hij een shotgun. Hij mag zijn komst graag aankondigen door The Farmer In The Dell te fluiten, een kinderliedje dat, juist door z’n onschuld, je de stuipen op het lijf jaagt. Daarmee is Omar eigenlijk ook het enige puur filmische personage dat The Wire bevolkt. De rest is rechtstreeks uit de realiteit geplukt. Schrijver David Simon mag graag vertellen dat er in Baltimore behoorlijk wat soortgelijke ‘stick-up men’ als Omar hebben rondgelopen, mannen zonder vrees die er net zulke sterke morele standpunten op nahielden. De realiteit is altijd uitzinniger dan je kunt bedenken. Maar dat hoeft wat mij betreft niet weg te nemen dat Omar méér is dan iemand die zou kunnen bestaan.

Omar is mythisch. Een wraakengel die de straten van Baltimore afschuimt om de wettenlozen te straffen voor hun hoogmoed. En de wettenlozen schijten in hun broek voor Omar. Omar is de man with no name uit een Eastwood-film. Een Robin Hood die steelt van de rijken en de opbrengst voor zichzelf houdt. Een romanticus. Geen gangster maar een outlaw. Niet wettenloos dus, maar iemand die zijn eigen wetten schrijft. En zich daar strikt aan houdt.

De mooiste vondst van de makers van The Wire is dat ze van Omar een battyboy hebben gemaakt. Dat maakt de vernedering voor de bestolen drugsbendes compleet: net als ze zich de koning te rijk voelen, net als ze denken dat de wereld aan hun voeten ligt, worden ze bestolen door een flikker die zich niks van hun reputatie aantrekt.

Ondanks de populariteit van het personage Omar, wordt hij maar sporadisch ingezet. Om overexposure te voorkomen. In het vierde seizoen, dat vorige week is uitgekomen, is zijn status inmiddels ongenaakbaar. [spoiler alert] Van het imperium van de familie Barksdale uit de vorige seizoenen is zo goed als niets meer over. [/spoiler alert] Wat er nu op de straten rondloopt, schijt al in de broek zodra ze de naam Omar horen. Zoals te zien is in dit, schitterende fragment, waarin Omar ontwaakt, erachter komt dat de cornflakes op zijn, in blauw satijnen ochtendjas, ongewapend naar het buurwinkeltje om de hoek gaat, nog even een sigaretje rookt onder een drugspand en een zak met pillen naast zich neer geploft ziet. Thuisgekomen zegt hij tegen z’n nieuwe vriendje dat hij er zo niks aan vindt. Het gaat er niet om wat je steelt, het gaat erom van wie je het steelt. Het heeft geen zin om overdag met de puppies te spelen, als ’s avonds de wolven op je wachten.

Hier vindt u een fragment, mocht u de smaak te pakken hebben, waarin Omar de advocaat van de Barksdales de les leest. En hier een Wire-prequel waarin Omar als klein mannetje les krijgt in het leven op de straat. En hier een weblog waarin David Simon zowaar zelf zijn opwachting maakt om het een en ander te verduidelijken. Bent u geestesziek en heeft u geen zin om vier seizoenen van The Wire te kijken, dan kunt u het hier in vier minuten doen.

Sluiten wij af met de lezersvraag: wat is uw favoriete neger uit de film-/ of televisiegeschiedenis?

22 januari 2008

Uruk-Haha

Uruk-Haha.

Vreemd - de wat bedrukte sfeer die er altijd heerste na
een potje rummykub.

11 januari 2008

BLS 1.12: Sodom, Lot en zijn dochters

Voor de versie mét plaatjes en olijke onderschriffies dient u hiero te zijn.

Sodom en Gomorra.

De vorige keer lazen wij dat Abraham op succesvolle wijze God overtuigde om de verderfelijke stad Sodom te besparen als er meer dan tien rechtvaardigen van geest te vinden waren. God was namelijk ter ore gekomen dat men in Sodom niet bepaald leefde zoals Hij het graag zag. Hij besloot de stad te verwoesten, zij het niet voordat hij Abraham van Zijn plannetjes had verteld. En die kreeg God dus zover om te beloven de stad niet te zullen verwoesten als Hij meer dan tien Godsvrezende mensen in Sodom zou aantreffen. Nu wist Abraham dat er tenminste één Godsvrezend persoon in Sodom rondliep, zijn neef Lot.

Deze Lot zit een beetje van de avondzon en de geluiden van rauwe secks (waarmee de nauwe straatjes van Sodom alle uren van de dag nu eenmaal waren gevuld) te genieten, als hij twee mannen ziet aankomen, waarvan wij weten dat het door God gezonden engelen zijn. Hij loopt er naartoe, verwelkomt ze en vraagt hen of ze bij hem willen overnachten. Nee, zeggen de engelen, wij zoeken wel een lekker plekje op het plein. Maar Lot wil er niks van weten en neemt hen, onder plichtmatig protest van de engelen, mee in huis.

Vrijwel meteen wordt de tamtam van Sodom in werking gezet. Als een lopend vuurtje verspreidt zich het nieuws dat Lot vers bloed in huis heeft gehaald en al snel hebben alle mannen van Sodom (jong en oud, als wij de bijbel mogen geloven) zich voor het huis van Lot verzameld om luidkeels het recht op te eisen de (vermoedelijk) maagelijke bloemetjes van de twee mannen te plukken. Kennelijk een ontgroeningsritueel dat, naar ik aanneem, ook Lot heeft moeten ondergaan toen hij de onfortuinlijke keuze maakte zich in deze stad te vestigen.

Vervolgens laat Lot zich van zijn meest gastvrije kant zien door naar buiten te gaan (waarbij subtiel wordt vermeld dat de deur achter hem dichtvalt) om te vragen of de verzamelde mannen niet liever zijn twee dochters tot zich nemen, die nog met geen man gemeenschap hebben gehad: "Laat mij mijn dochters tot u naar buiten brengen en doet met haar, zoals goed is in uw ogen; alleen doet deze mannen niets, want daartoe zijn zij onder de schaduw van mijn dak gekomen." (Gen. 19:8). Een nobel gebaar, dat ons vandaag de dag vreemd voorkomt.

De mannen van Sodom willen echter niets van dit voorstel weten. Zij willen de schepsels met van voren een staart en vanachter een kut, zoals Gerard Reve de (jonge)man ooit omschreef. (Overigens is het natuurlijk wel de vraag of deze engelen überhaupt van voren een staart hadden. Ik heb zelf altijd begrepen dat engelen geslachtloos zijn. Voor de mannen van Sodom zou dit geen bezwaar zijn, denk ik. Die waren al dik tevreden met alleen een anus. Waarbij de vraag openblijft of engelen dan wél een anus hebben. Helaas biedt de bijbel geen soelaas.)

Er ontstaat een dreigende situatie, waarin Lot bijna tot moes wordt gedrukt tegen zijn eigen deur. Maar dan grijpen de engelen in. Ze sleuren Lot naar binnen en slaan de mannen van Sodom die het dichtst bij de deur staan met blindheid. De engelen drukken Lot op het hart zo spoedig mogelijk uit Sodom te vluchten met iedereen die hij liefheeft. “Want wij gaan deze plaats verwoesten”, zo vertellen zij Lot. (Gen. 19:13) Lot vertelt het nieuws aan zijn naasten. Zijn aanstaande schoonzoons lachen hem uit en gaan verder waarmee ze bezig waren.

Als de dageraad komt, dringen de engelen er bij Lot op aan dat hij toch echt uit Sodom weg moet. Ze drukken hem op het hart naar de bergen te vluchten en niet om te kijken. De engelen beloven Lot dat ze pas met de verwoesting zullen beginnen als hij in Zoar is. Maar wat er ook achter hem gebeurt: kijk niet om.

De avond is net gevallen als Lot, in het gezelschap van zijn vrouw en dochters in Zoar aankomt. “Toen liet de Here zwavel en vuur op Sodom en Gomorra regenen (...) en Hij keerde die steden om, benevens de gehele Streek, met al de inwoners der steden en het gewas van de aardbodem.” (Gen. 19:24-25) Lot en zijn dochters liepen door, zonder om te kijken. “Maar zijn vrouw, die achter hem liep, zag om, en werd een zoutpilaar.” (Gen. 19:26) Een tragisch einde, met als enige troost dat ze nu tenminste nog in die bijbel genoemd werd. En dat het vrij pijnloos klinkt. Je kijkt om, ziet nog net hoe de stad waar je al die jaren hebt gewoond en waar je, ondanks het ongrensbare verderf dat er heerste, toch een beetje van bent gaan houden, hoe die stad bedolven wordt onder een regen van zwavel en verslonden door een zee van vuur, hoe die stad omgekeerd wordt, en je denkt aan de pijn en angst van de mensen die nooit hebben geweten dat ze zo de fout in waren gegaan. Een kwartseconde huilt je hart, je realiseert je nog net dat je niet had mogen omkijken en – poef – je bent een zoutpilaar. Mooi einde.

Terwijl Abraham even verderop, vanaf een heuveltop, ziet hoe de rook van de aarde opsteeg “als de rook van een smeltoven” (Gen:19:28), lopen Lot en zijn dochter zonder omkijken door, naar de bergen. Of ze weten dat hun vrouw en moeder niet meer onder hen is, wordt niet vermeld. Of ze treuren als ze er eenmaal zijn achtergekomen, komen we ook niet te weten. De dochters waarschijnlijk niet, die blijken al snel van het nogal praktische soort. De oudste realiseert zich dat, nu alles en iedereen in de buurt verwoest is, zij niet zo snel een man zullen vinden die tot hen kan komen ‘naar de gewoonte der aarde’ (Gen. 19:31). Nageslacht zit er kortom niet in.

Tegenwoordig heb je na iedere ramp een leger traumateams klaarstaan om jou te helpen bij de verwerking van je ervaring. In die dagen bestond dat nog niet. Waardoor het misschien niet zo gek is dat de dochters van Lot besluiten om hun vader dronken te voeren en zich ‘naast hem neder te leggen’ (Gen. 19:32). De eerste avond gaat de oudste, de tweede avond de jongste. En Lot merkt er niks van. Niet dat ze bij hem neder komen liggen, niet dat ze na gedane zaken opstaan. Dat zijn ochtendplasje de volgende dag wat ongericht is, wijdt hij aan zijn door ouderdom ontstane prostaatproblemen.

Negen maanden later baart de eerstgeboren dochter een zoon die zijn Moab noemt, en ook de jongste baart een zoon die zij Ben-Ammi noemt. De eerste wordt stamvader van de Moabieten, de tweede van de Ammomieten. Dat het nooit wat geworden is met die volken, mag geen verrassing heten.

4 januari 2008

Brief aan Arnon Grunberg

Amsterdam, 2 januari 2008

Waarde Arnon Grunberg,

Vorige week heb ik, in de trein van Berlijn naar Amsterdam, Omdat ik u begeer uitgelezen. Het leek mij gepast u via deze weg te bedanken voor uw pogingen mij te genezen. Ze waren tevergeefs, maar daar gaat het niet om.

Helaas stond de brief die mij van alle het meest was bijgebleven er niet in. ‘Omdat ik u begeer’ is een selectie van uw open brieven aan bekende en onbekende, levende en dode mensen in Humo tot februari 2007, de brief waar ik op doel schreef u later van dat jaar. Ergens in de zomer, het was zeer heet toen ik ‘m las.

De brief was gericht aan een voetballer. Een vlaamse voetballer, meen ik mij te herinneren. Of een in Vlaanderen spelende voetballer van Braziliaanse komaf. U sprak daarin over kwetsbaarheid, en hoe u dat probeert te vermijden. De vrouwen in uw leven mogen niet te dichtbij komen, anders verliest u uw onaantastbaarheid.

Ergens in ‘Omdat ik u begeer’ las ik dat u Heat tot uw lievelingsfilms rekent. Robert de Niro laat daarin zien hoe gevaarlijk het is je te hechten aan iemand. Je moet op elk moment iedereen in de steek kunnen laten. Dat hij aan het eind iets te lang aarzelt, zich net een beetje te moeilijk los kan maken, betekent zijn ondergang.

Ikzelf heb mij aan iemand gehecht van wie ik me nooit meer wil losmaken. Moest ik vluchten, dan zou zij mee moeten. Mocht zij mijn vlucht vertragen, en mocht dit mijn ondergang worden, dan is dat maar zo. Haar moeten achterlaten, zou onverteerbaar zijn.

Ik heb de indruk, en vertel het me als ik ernaast zit, dat u mij wilt genezen van dit idee. Van de illusie die eeuwige liefde heet. Dat het niet meer dan een romantisch hersenspinsel is waarvoor ik mijn onaantastbaarheid opgeef.

Dat mag dan wel zo zijn, ik merk allen dat mijn toegenomen kwetsbaarheid een meerwaarde aan mijn leven geeft. Ik denk dat het van belang is om mensen in je omgeving te hebben die de kans op werkelijke pijn (the PAIN om met uw vriend Jacko te spreken – p.250) vergroten. Door pijn te vermijden, vergroot je de kans op geluk niet. Je vergroot hooguit de kans op verlichting, maar wie zit daar nu op te wachten? Daarnaast: wie onaantastbaar is, lijdt niet automatisch een pijnloos leven. Niet dat ik denk dat u het leven pijnloos wilt leven. Integendeel. U bent een handelsreiziger in pijn, het is uw brood.

Nu heb ook ik m’n portie pijn gekend, dankzij een langdurig knagen van de eenzaamheid. Heel erg pijn heeft het nooit gedaan. Het was meer een zeurende pijn. Vaak vergat ik het zelfs, maar het kwam altijd terug. De enige manier om van dat zeurende gevoel af te komen, bleek mijn onaantastbaarheid op te geven. Een onaantastbaarheid die overigens geen enkele waarde voor mij had. Ik ben niet sterk genoeg om onaantastbaar te zijn. Een man als ik heeft weinig aan onaantastbaarheid. Aan mij is het verspild. De enige reden dat ik ‘m nooit eerder had opgegeven was angst. De angst om erachter te komen dat het leven echt niks te bieden heeft.

Of schaamte, misschien had het meer met schaamte te maken. Zolang je niks doet, hoef je je niet te schamen voor eventuele mislukkingen. Het blijft dan bij één mislukking, die van het verspilde leven. En die hoef je alleen maar te delen met je spiegelbeeld. U lijkt me ook iemand met een overontwikkeld schaamtegevoel. Maar in plaats van de schaamte te vermijden, zoekt u het op, buit u het uit. Voor uw werk. Om ons te genezen. De vraag is alleen: door wie moet u worden genezen?

In Scarface, ook een van uw favoriete films geloof ik, barst Tony Montana midden in een druk bezocht restaurant uit in een tirade die erop neer komt dat mensen een monster zoals hij nodig hebben om zichzelf goed te voelen. Ik ken aardig wat mensen die een hekel aan u hebben, die een afgrijzen niet kunnen onderdrukken als ze uw verschijning zien. Die zelfs boos op mij worden wanneer ik me waarderend over u uitlaat. Andere mensen zien in u dan weer hun verloren knuffelbeer. Dat kan ik me nog herinneren van Hanneke Groenteman die u ergens in de jaren ’90 kwam opzoeken. Zij dacht u wel even dood te kunnen knuffelen daar in het kille New York. Maar u liet zich niet knuffelen. Tot haar grote ontgoocheling. Geen wonder dat Wim T. Schippers haar zo makkelijk kon laten huilen, zoals ik in uw brief aan hem las (p.109). Door NRC werd u onlangs zelfs knuffelintellectueel genoemd.

Scarface leert ons verder dat het leven maakbaar is, dat alles mogelijk is, maar dat de ondergang versneld komt wanneer je teveel van je eigen waar snoept. U snoept toch niet te veel van uw eigen waar? Dat is niet gezond.

Maar nogmaals: bedankt voor uw pogingen mij te genezen. Ik blijf echter liever ziek, zodat ik naar uw snijtafel kan blijven terugkeren. Een goed Nieuwjaar voor u en uw naasten.

Met warme groet,

Uw patiënt,

Max Molovich

31 december 2007

101 Interviewtechnieken van een meesterinterviewer of: Waarom ik Frénk van der Linden haat

Wilt u foto's en al dan niet geinige onderschriftjes? Dan moet u hier zijn.

De voet van Peter Blok
Wat is hier aan de hand, zal een enkele trouwe lezer wellicht opmerken. Is mijn favoriete salonblog in een haatsite veranderd? Nog geen twee dagen geleden schold de Kaaiman de immer keurig gekapte directeur van het betaald voetbal uit voor weekendklootzak en nu zegt de heer Molovich, die ik juist altijd zo bewonderde om zijn vredelievende houding ten opzichte van alles en iedereen, meesterinterviewer Frénk van der Linden te haten. Wake up and smell the bierstront, zeg ik dan op mijn beurt. We leven in de jaren nul, het is tijd voor duidelijkheid.

De werkelijk trouwe lezer had natuurlijk reeds in de gaten dat de titel van bovenstaand stukje verwees naar een eerder geschrift van mijn hand, waarin ik erachter trachtte te komen hoe het kwam dat ik, zonder duidelijke redenen, een hekel had aan ligfietsers. Net zoals ligfietsers mij nooit persoonlijk leed hebben berokkend, heeft Frénk van der Linden mij nooit iets aangedaan. Tenminste, niks op de man af. Ik heb 'm nooit ontmoet, ik heb 'm nooit gesproken, ik heb nog nooit contact met 'm gehad, ik vermoed zelfs dat hij zich niet eens van mijn bestaan bewust is. Alhoewel de kans natuurlijk groot is dat hij hier terecht kwam toen hij weer eens zijn eigen naam googelde.


Net zoals bij ligfietsers, is mijn blinde haat voor Frénk van der Linde er vanaf het moment dat ik hem voor eerst zag. Het is een instinctieve haat. Ik denk werkelijk dat er geen enkele tijdsspanne bestaat tussen het moment dat ik Frénk van der Linde voor het eerst zag en het moment dat ik Frénk van der Linde begon te haten. Die momenten vallen volkomen samen. Niet dat ik me daar meteen bewust van was. Dat bewustzijn kwam een paar seconde later.

Ik vermoed dat dit te maken heeft met wat Harry Mulisch omgekeerd charisma heeft genoemd. Mensen die last hebben van omgekeerd charisma roepen uit het niets een soort wrevel bij anderen op, en die wrevel wordt alleen maar versterkt doordat de drager van het omgekeerd charisma zich niets van die wrevel aantrekt, maar er juist kracht uit put, want zich bevestigd ziet in zijn eigen uniciteit. De omgekeerd charismaticus ziet die wrevel als jaloezie, en gaat zich van de weeromstuit nog arroganter gedragen. Andere voorbeelden dan Harry Mulisch, Frénk van der Linden en ligfietsers zijn bijvoorbeeld Jeroen Krabbé, Mart Smeets en Arnon Grunberg. Van die laatste kan ik het overigens hebben, omdat die zichzelf ook haat. En omdat zijn arrogantie terecht is (volg de raad van de heer Gutfreund op, leest allen Omdat ik u begeer, dat van begin tot eind een zegen is voor de Nederlandse literatuur en de mensheid).

Net als ligfietsers ziet Frénk van der Linden zichzelf als verbetering van de mens. Hij is iets verder geëvolueerd dan de meesten van ons. Omdat niet iedereen dat ziet, is hij niet te beroerd om ons daar zo nu en dan op te wijzen. Zo heeft hij onlangs de pers opgezocht om bekend te maken dat hij jaren geleden door de AIVD werd geschaduwd. Hij liet desgewenst weten zeer 'pissed off' te zijn toen hij dit nieuws vernam. Het schijnt echter dat Frénk van der Linden al een jaar of vijf op de hoogte was van de schaduwpogingen. Vermoedelijk is hij dus ook al jaren ‘pissed off’. Naar de reden dat Frénk van der Linden dit nieuws naar buiten bracht, hebben wij te raden. Maar raden hoeft niet altijd moeilijk te zijn. Frénk van der Linden wilde gewoon even laten merken dat de AIVD (toen nog BVD) hem belangrijk genoeg achtte om te schaduwen.


Daarnaast vermoed ik dat het Frénk van der Linden is geweest die de term 'meesterinterviewer' met betrekking tot zichzelf in het leven heeft gebracht. Uit betrouwbare bron* heb ik vernomen dat Frénk van der Linden altijd de voorwaarde stelt dat hij ‘meesterinterviewer’ wordt genoemd als hij in het openbaar moet spreken. Zo werd hij in ieder geval ook genoemd in de promo’s van het televisieprogramma ’30 Hoog’, waarin meesterinterviewer Frénk van der Linden op verdieping dertig van de Mondriaantoren van te voren niet weet wie hij tegenover zich gaat krijgen. Als er maar vaak genoeg geroepen wordt dat Frénk van der Linden een meesterinterviewer is, dan gaan de mensen het geloven.

In diezelfde orde moet de uitspraak ‘er zijn 101 interviewtechnieken en ik ken ze allemaal’ gezien worden. Frénk van der Linden heeft dat kennelijk ooit een keer gezegd, en ik ben weinig interviews met hem tegengekomen waar die uitspraak niet wordt aangehaald. Desgevraagd bevestigt Frénk van der Linden maar al te graag dat hij inderdaad alle interviewtechnieken wel eens een keer heeft toegepast. Dat zal allemaal best, maar wat worden wij er wijzer van dat meesterinterviewer Frénk van der Linden alle 101 interviewtechnieken beheerst?


Niks, zo bleek toen ik het onlangs waagde om naar deze uitzending van 30 Hoog te kijken. Een knagend gevoel van gêne en wat opgekropte woede, dat was het enige overbleef na afloop. Gêne vanwege het exhibitionisme waartoe Frénk van der Linde (‘scherpzinnig maar fair, diepgravend met flair’ – slechts 3500 – 5000 euro) zijn gast wist te verleiden. En woede omdat ie er mee wegkwam. En zich op de koop toe bevestigd zag in zijn kwaliteiten. Voordat zijn gast de ruimte betrad, kreeg Frénk van der Linden de tijd om drie objecten te zien die met zijn gast te maken hadden. Een van die objecten was een paar krokodillenlederen laarzen. Het soort dat zelfs John Travolta in Saturday Night Fever als 'iets té' in de etalage zou hebben laten staan.

De kijker was getuige hoe Frénks nieuwsgierigheid naar zijn mysterieuze gast groeide. En daar kwam Peter Blok binnen, gevierd acteur (o.a. Cloaca, Pleidooi, Oud Geld) en man van gevierd scenarioschrijver Maria Goos (o.a. Cloaca, Pleidooi, Oud Geld). Frénk van der Linden gaf Peter Blok een hand en vertelde dat Chinezen een wijsheid hebben (interviewtechniek 12: overrompel de geïnterviewde met relevante kennis): “De spiegel van de ziel is niet het gezicht, maar de voet.” Frénk van der Linden vroeg Peter Blok om zijn schoenen en sokken uit te doen (interviewtechniek 65: vraag de geïnterviewde iets fysieks te doen, iets waar ie nooit op gerekend had). Om het wat minder ongemakkelijk te maken, zou ook Frénk van der Linden zijn schoenen en sokken uittrekken (interviewtechniek 43: wees solidair als het moet). En daar stonden ze even later, de meesterinterviewer en de meesteracteur, in de Mondriaantoren, 30 hoog, op blote voeten. Je wist niet wat je zag.


In de twintig minuten die volgden, vlogen de overige 96 interviewtechnieken je om de oren. Je zag Frénk van der Linden genieten van zijn eigen meesterschap. En toen kwam daar het moment dat Frénk van der Linden een Groot Gevoelig Onderwerp wilden aansnijden. Eigenlijk probeerde hij daar de hele tijd op aan te sturen, door Peter Blok naar de scharniermomenten in zijn leven te vragen. Maar Peter Blok weigerde te vertellen wat Frénk van der Linde wilde weten. Uiteindelijk haalde hij interviewtechniek nummer 53 (formuleer de gevoelige vraag op zo’n manier, dat alleen de de geïnterviewde weet wat je vraagt) gecombineerd met interviewtechniek 82 (zeg dat je niet precies weet hoe je de vraag moet aansnijden) uit de kast.


“En nu nog wat moeilijke vragen”, zei Frénk van der Linden. “Er is niet alleen Peter Blok. Er is ook nog Maria Goos. En in alle eerlijkheid weet ik niet zo goed hoe ik dit moet vragen... Maar wat gebeurde er met haar?”
“Kanker”, antwoordde Peter Blok, “tenminste, ik neem aan dat je daar op doelt.”
En daar doelde Frénk van der Linde inderdaad op. Eindelijk kon hij het interview naar een hoger plan tillen. De twee praatten ‘open en eerlijk’ over de ziekte van Peter Bloks vrouw. Het had al iets waar ik mij weinig raad mee wist. Frénk van der Linden vroeg dingen als: Kun je samen kanker hebben. Maar alles wat hiervoor plaatsvond, viel in het niet bij de vraag die Frénk van der Linden toen stelde. Ik zal ‘m even cursief en tussen twee witregels zetten, zodat u ‘m ten volle tot u kan laten doordringen. Dit vroeg Frénk van der Linden:

“Nog een hele gekke... en je geeft maar aan als dit te ver gaat of niet... Kun je, als je weet dat het lichaam van de ander niet gezond meer is... Kun je dan nog seks hebben?”

“O ja”, antwoordde Peter Blok alsof het doodnormale vraag was. Maar ik, zo kunt u zich wellicht voorstellen, zat op m’n bank te happen naar adem dat het niet normaal meer is. We herkennen hier vier van de 99 interviewtechnieken die naar het gewenste openhartige antwoord moesten leiden. Techniek nummer 58 (leid je confronterende vraag in met de waarschuwing dat het geen normale vraag is), techniek nummer 88 (geef de geïnterviewde een uitweg die hij, omdat je ‘m voorstel, vrijwel zeker niet zal nemen), techniek nummer 16 (stel je taboedoorbrekende, confronterende vraag alsof het iets is wat je altijd hebt willen weten, maar nooit iemand hebt durven vragen) en techniek nummer 76 (stel je taboedoorbrekende vraag quasinonchalant, alsof het eigenlijk een doodnormale vraag is).


De vraag doet openhartig aan, maar is uiteraard ronduit ranzig. Zoiets vraag je niet, zeker niet op nationale televisie. Frénk van der Linden denkt dat ie intiem bezig is, maar het is puur voyeurisme. En dat idee wordt versterkt als hij tussendoor opmerkt: ‘De fragaliteit van zo’n lichaam... daar zit je tóch anders aan.” Pervers mannetje dat het is. Frénk van der Linden schijnt al eens eerder een dergelijk trucje te hebben geflikt. En wel met mijn burgervader Job Cohen die, zoals wellicht bekend, een vrouw heeft die aan MS lijdt en dientengevolge in een rolstoel zit. Frénk van der Linden vroeg toen of de door de wol geverfde Job Cohen met hem op de grond wilde gaan liggen, waarna hij, starend naar de studiolampen, vroeg hoe het is om seks te hebben met een vrouw in een rolstoel. En Job Cohen schijnt daar nog op geantwoord te hebben ook.

Alsof ik dat verdomme wil weten. En alsof ik wil aanhoren hoe iemand daar ‘ongedwongen’ over vertelt. Het lijkt allemaal openhartig, het lijkt intiem, het lijkt taboedoorbrekend, maar het is gewoon onbehoorlijk, schaamteloos en exhibitionistisch. Alsof er niks privé meer mag zijn. Alsof niemand meer iets voor zichzelf mag houden. Alsof schaamteloosheid het hoogst haalbare is. Een ziekte van deze tijd. Ik wíl niet alles weten van mijn medemens, Frénk van der Linden. Ik wil dat er dingen achter gesloten deuren blijven. En als ik over dat soort zaken wil weten, dan is er vast wel een boek over geschreven door iemand die de tijd nam om over de formulering van zijn onthullingen na te denken. Ik wil geen mensen zien die daarover praten omdat ze door u voor het blok gezet zijn. Want, laten we eerlijk zijn, ze kunnen geen kant op dankzij die 101 interviewtechnieken van u. En u zegt wel dat u er geen kick van krijgt om mensen uitspraken te ontfutselen die ze niemand anders zouden toevertrouwen omdat –godzijdank- niemand anders ze stelt, maar u krijgt het wel, die kick. Ik zie het aan uw kop. Uw trots is uw Anne Frank, uw gretigheid verraadt haar.

Het kan natuurlijk zijn dat zowel Peter Blok als Job Cohen het geen enkel probleem vindt om op dit soort vragen een antwoord te geven, maar ze hebben het niet alleen over zichzelf, ze hebben het ook over hun vrouw. En die vinden het wellicht verschrikkelijk dat hun man voor het oog der natie over hun intiemste momenten praat met iemand die het alleen maar vraagt om zijn eigen kunde te tonen. En zelfs als ook zij het prima vinden dat hun man met u over hun leven onder de lakens spreken, dan nog is het ongepast. Ook al beweert u het tegendeel, u interviewt nog steeds ter meerdere eer en glorie van uzelf. Wat u zichzelf ook probeert wijs te maken, u bent enkel en alleen geïnteresseerd in scoren. Uw interviews, meneer Van der Linden, zijn masturbatiesessies van een half uur. Wilt u die in het vervolg gewoon thuis doen? Achter gesloten deuren? Bedankt.

*De betrouwbare bron is mijn zwerende eksteroog, maar die zit er zelden naast.

 

18 december 2007

Lachen met de Heiland

Jezus springt touwtje

En Jezus, gedoopt zijnde, klom terstond op uit het water om touwtje te springen. En Johannes de Doper was verrukt om zoveel souplesse. (Mattheus 3:16)

14 december 2007

BLS 1.11: Abraham lult wat van de prijs af

Abraham

Het volgende avontuur van Abraham (beschreven in Genesis 18:16-33) is volgens mij een sleutelscène in de Bijbel. Een scène die verklaart waarom nou net deze god van dit woestijnvolk zoveel andere goden heeft overleefd en aan de basis heeft kunnen staan van drie van de grootste religies op aarde. De scène begint wat klungelachtig. De drie mannen die bij Abraham op visite waren, en waarvan er één God was, vertrekken weer. Abraham loopt met hen mee, en God twijfelt. De drie mannen zijn namelijk op weg naar Sodom en Gomorra, een stad zo doordesemd van aardse zonden dat God besloten heeft het te verwoesten. Hij vraagt zich alleen af of hij Abraham nu wel of niet zou inlichten over zijn snode plannetjes: “En de Here dacht: Zou Ik voor Abraham verbergen wat Ik ga doen?” (Gen. 18:17)

Ik vind dat persoonlijk wat twijfelachtig voor een alwetende God. Een alwetende God moet toch op z’n minst weten wat Hij zelf gaat doen. Of is het logisch dat Zijn eigen handelen het enige is wat een alwetende God niet kan voorzien. En als dat zo is, zou dit dan betekenen dat toch niet alles in de sterren geschreven staat, dat niet alles al van te voren vast ligt? Wij mogen dan wellicht geen vrije wil hebben, onze toekomst staat echter niet in de sterren geschreven. Wij zijn afhankelijk van de grillen van een wispelturige god. Zijn Gods wegen voor God zelf eigenlijk wel doorgrondelijk? Ik vermoed van niet. Hij lijkt me van het soort dat maar wat doet, niet te veel stilstaat bij beslissingen, en er geen nacht minder om slaapt als Hij eens iemand onterecht tot Hem heeft geroepen. Type George W. Bush, zeg maar.

Na deze overpeinzingen, werd ik overvallen door de volgende zin: “Het geroep over Sodom en Gomorra is groot, en haar zonde is zeer zwaar. Ik wil nederdalen om te zien, of zij inderdaad gedaan hebben naar het geroep, dat tot Mij gekomen is, of niet; Ik wil het weten.” (Gen. 18:20-21) Nou! Dat is me nogal een onthullende zin. God blijkt helemaal niet uit Zichzelf alwetend te zijn, Hij heeft gewoon ordinaire verklikkers rondlopen, spionnen die voor Hem in de gaten houden of alles wel naar Zijn wens gaat. Nog een geluk dat God de moeite neemt om zelf even een kijkje te nemen voordat Hij een stad van de aardbodem wegvaagt. Je vraagt je toch af in hoeveel van Zijn beslissingen Hij zo’n dubbelcheck heeft nagelaten

Maar genoeg daarover. God besluit Abraham in te lichten. En dan gebeurt er iets zeer opmerkelijks. Abraham gaat met God in discussie. Schoorvoetend, en bloednerveus, maar hij doet het wel. Hij blijkt bovendien over een zeer groot talent voor diplomatie te beschikken. Abraham vraagt namelijk aan God of Hij van plan is om ‘de rechtvaardige met de goddeloze te verdelgen’. Met andere woorden: gaan er ook onschuldige slachtoffers vallen? Abraham vraagt dan of God, heel misschien, als het niet te veel gevraagd is, Sodom en Gomorra wil sparen als er in de stad vijftig rechtvaardigen zijn te vinden. Meteen na deze vraag, smeert die goochemerd God stroop rond de mond door Hem te prijzen om Zijn rechtvaardige inborst: “Verre zij het van U (...) de rechtvaardige te doden met de goddeloze, zodat de rechtvaardige zou zijn gelijk de goddeloze; verre zij het van U. Zou de Rechter der ganse aarde geen recht doen?” (Gen. 18:25)

En zowaar, het blijkt te werken. God zegt toe Sodom en Gomorra te sparen als Hij vijftig rechtvaardigen aantreft. Dit antwoord verrast ook Abraham. Hoewel hij duidelijk in Gods genade heeft verkeerd, moet hij ook wel hebben ingezien dat zijn God niet altijd voor reden vatbaar is. Maar nu dus wel. En Abraham raapt al zijn moed bij elkaar om God te vragen of Hij die verderfelijke stad ook wil sparen als er vijfenveertig rechtvaardigen rondlopen. En God zegt ook dat toe.

Abraham begint de smaak te pakken te krijgen en probeert er nog vijf af te snoepen. En tot zijn stomme verbazing blijkt God ook hiertoe bereid. Abraham haast zich erbij te zeggen te hopen dat God niet toornig wordt, als hij nogmaals zijn mond open doet, en een poging doet om God te overreden dat Hij Sodom en Gomorra ook zal sparen als er dertig rechtvaardigen rondlopen. En weer gaat God akkoord. En zo gaat dat door, totdat de teller uiteindelijk op tien blijft steken. Als God tien rechtvaardigen kan vinden, zal Hij Sodom en Gomorra niet verwoesten. Waarna beide helden ieder zijn/Zijn eigen weg gaat.

‘Handjeklap in een Oosterse bazar’, zo schijnt Chaim Potok deze scène ooit getypeerd te hebben. En welke andere religie kan nu zeggen dat je met haar god(en) kan onderhandelen. Ja, Hem of Haar gunstig proberen te stemmen met wat offers, dat kan er wel bij meer, maar zo gericht op de man af dingen vragen, er zelfs mee in discussie gaan, nee dat zit erbij niet veel religies in. Of wel, dan kunt u uiteraard van hartelust in de comments uw commentaar kwijt (daarom heet het ook ‘comments’, sukkels!). Die interactiviteit tussen God en de mensen, is in ieder geval zeer aantrekkelijk.

De reden dat God bereid is naar Abraham te luisteren en zijn wensen te honoreren, komt wellicht doordat Abrahams vragen onbaatzuchtig zijn. Hij vraag het niet om er zelf direct beter van te worden, het lijkt een oprechte uiting van medemenselijkheid. Of het gaat hem vooral om Lot, zijn neef, die in Sodom en Gomorra een bestaan probeert op te bouwen met zijn vrouw en twee dochters. Hoe het ook zij, Abraham had geen puur egoïstische beweegredenen om met God de discussie aan te gaan, en dat is sympathiek. Wellicht is God daar ook gevoelig voor. Niks menselijks is Hem immers vreemd. (Of heb ik dat al eens opgemerkt?)

Aan de andere kant kan het heel goed dat God wist dat er in heel Sodom en Gomorra in geen honderd jaar tien rechtvaardige mensen te vinden waren, en dat Hij Abraham dus maar lekker een beetje heeft laten lullen, om Zijn volgelingen de illusie te geven dat Hij wel degelijk voor rede vatbaar is. Want ik hoop toch geen geheim te verklappen als ik zeg dat God Sodom en Gomorra grondig met de grond gelijk gaat maken. Hoe Hij dat precies gaat doen, welke ‘nieuwste technieken’ hij daarbij gebruikt, en wat er met Lot en diens familie gebeurt, leest u een volgende keer in alweer een ongetwijfeld even spannende als leerzame aflevering.

 

11 december 2007

Thuis in Afghanistan

Helmand de gekste!!!

Al met al duurde het helemaal niet zo lang voordat Bertus van der Giessen, die op 5 januari van het jaar 2005 in Boekel op de verkeerde bus was gestapt, zich een beetje thuisvoelde in Afghanistan.

 

5 december 2007

BLS 1.10: Beloftes, beloftes en nog eens beloftes

Wilt u deze tekst met plaatjes en geinige onderschriftjes? Ga dan hops naar PNZRFST!

Abraham kop.

Abram belandt na dat beschamende avontuur in Egypte in een kleine depressie. Hij is diep in de tachtig, zijn vrouw ergens in de zeventig, nageslacht lijkt er niet meer in te zitten, wat God ook beweert. Leuk, al die rijkdom, maar dat beloofde kindje van God komt maar niet. De eerstvolgende keer dat God Abram belooft dat zijn loon heel groot zal zijn, bekent Abram dan ook te vrezen zijn hele have achter te moeten laten aan iemand door wiens aderen zijn bloed niet stroomt. Maar God belooft hem dat zijn erfgenaam een ‘lijfelijke zoon’ (Gen. 15:4) zal zijn. Na een offer valt Abram in een diepe slaap, waarin hij overvallen wordt door een ‘angstwekkende, diepe duisternis’ (Gen. 15-12). In een droom vertelt God dat het uit Abram voortspruitende volk 400 jaar in een vreemd land zal doorbrengen, waar het onderdrukt zal worden. Daarna zullen zij uit dat land weggaan en zullen zij van God het land tussen de Nijl en de Eufraat krijgen.

Een heuse flash forward. Een bekend literair trucje. Alvast een soort tipje van de sluier oplichten over wat komen gaat. Het voedt de nieuwsgierigheid en bevestig de macht van de alwetende verteller, in dit geval ook nog eens de hoofdpersoon: God. Wij die al wat van de bijbel kennen, weten dat Hij hier refereert aan het verblijf van de joden in Egypte en de exodus die geleid zal worden door Mozes. Maar zover is het nog lang niet. Abram heeft nog steeds geen kinderen. Er volgt dan weer een mooi staaltje bijbels redeneren, dit keer voor rekening van Sarai, de vrouw van Abram, die haar man aanbiedt om met haar slaaf Hagar het bed in te duiken. Wellicht dat zij hem een zoon kan schenken. Abram doet dit en Hagar wordt zwanger. Waarop Sarai (die dit dus zelf had voorgesteld) stikjaloers wordt: “(...) ik heb mijn slavin in uw schoot gegeven, en nu zij ziet, dat zij zwanger is geworden, ben ik verachtelijk in haar ogen; de Here doe recht tussen mij en u.” (Gen. 16:5)

Abram laat Hagar aan zijn vrouw over, die de arme, zwangere slavin vernedert en de woestijn instuurt. Vervolgens ontmoet ze een engel die haar opdraagt terug te keren naar haar meesteres, om zich door haar te laten vernederen. Daar tegenover staat dat zij een zoon zal krijgen die Ismaël zal geen heten die een nageslacht wordt beloofd, zo groot dat het ‘vanwege de menigte niet geteld kank worden.’ (Gen 16:11) Het zal eens een keertje wat bescheidener zijn! Een nageslacht ‘niet zo groot in aantal, maar wel zonder uitzondering sympathiek’ bijvoorbeeld. Maar dat zit er niet in. Het moet altijd groot en veel zijn. Het gaat om de kwaliteit, niet om de kwantiteit, is een adagium dat niet aan God besteed is.

Voortdurend krijg je de indruk dat God het allemaal maar als een leuk, licht sadistisch spelletje ziet, ter vermaak van Zichzelf. Zoals jongens van een jaar of tien graag kikkers pesten, zo pest God graag zijn eigen schepping. Negenennegentig is Abram als God hem voor de zoveelste keer belooft dat zijn nageslacht talrijk zal zijn. Dit keer komt die belofte in eerste instantie minder vreemd voor, omdat Abram dan inmiddels al een zoon heeft, Ismaël. God zegt tegen Abram dat hij zich vanaf dan Abraham moet noemen en Hij draagt hem op zijn voorhuid eraf te snijden, alsmede de voorhuiden van alle mannen die in zijn huis geboren zijn en door hem gekocht. Het zal je maar gezegd worden. Abraham gaat nog akkoord ook. Zonder morren.

Ook Abrahams vrouw, Sarai zal God zegenen en zij zal vanaf dan Sara heten. Ook zij zal een zoon baren. Daarop schiet Abraham in de lach. Een negentigjarige die een zoon zal baren, maak dat de kat wijs. Maar God is bloedserieus. Sara zal een zoon baren die Isaäk zal heten en met hem zal Hij een verbond sluiten. Na deze mededelingen stijgt God weer op, waarna Abraham huiswaarts keert en daar zijn voorhuid wegsnijdt, en hetzelfde doet bij zijn dertienjarige zoon Ismaël en al zijn andere mannelijke huisgenoten. Je kunt alleen maar huiveren bij de gedachte hoe het is om overgeleverd te zijn aan het botte mes van Abraham in diens bibberende negenennegentigjarige handen. Zouden er destijds meer godsdienstwaanzinnige gekken hebben rondgelopen bij wie de hitte van de woestijn op dusdanige wijze naar het hoofd was gestegen?

Niet veel later luistert Sara een gesprek tussen haar man en drie vreemdelingen af, waarvan er één God blijkt te zijn. Voor de tweede maal zegt Hij dat Sara over een jaar een gezonde zoon op de wereld zal hebben gebracht. Dan is het Sara’s beurt om in de lach te schieten. Ze is immers hoogbejaard en het gaat haar niet meer ‘naar de wijze der vrouwen’ en zij vraagt zich gniffelend af: “Zal ik wellust hebben, nadat ik vervallen ben, terwijl mijn heer oud is?” Wie zou een bejaarde vrouw dit binnenpretje misgunnen? God natuurlijk. Wie anders? Die is weer eens op zijn onmetelijke tenen getrapt. “Zou voor de Here iets te wonderlijk zijn?”, vraagt hij verontwaardigd. (Gen. 18:14.)

Keer op keer legt God een kinderlijke drang aan de dag om zich te bewijzen, om te laten zien dat Hij het is die de touwtjes in handen heeft. Wee degene die aan zijn almacht wenst te twijfelen. Hij eist volledige overgave en een rotsvast vertrouwen. En de enige manier om dat te doen is kennelijk om het Zijn onderdanen zo moeilijk mogelijk te maken, om hen beproeving na beproeving te laten ondergaan, voordat Hij hen een momentje van rust gunt. En als je dan eindelijk denkt dat God zijn belofte heeft ingelost en dat niets je meer in de weg staat om in eenvoudig geluk verder te leven, staat de volgende beproeving alweer klaar. De volgende level waarin je moet bewijzen dat God voor jou de enige en de ware is. Het leven is een spelletje Mario Brothers waarin de enige echte beloning de eeuwige rust van de dood is.

Zal God Zijn belofte nakomen en krijgen Abraham en Sara hun langverwachte zoon? Zal Sara het lachen vergaan als zij moet baren? En wat doet Lot daar precies met z'n dochters? Dat behandelen we de volgende keer in de Bijbel Lees Sessies.

30 november 2007

Waarmee kan ik u van dienst zijn?


Wilt u deze tekst lezen met leuke plaatjes en misschien nog wel leukere onderschriftjes, dan stuur ik u door naar Panzerfaust>>>

Klantenservice 5
Een tijdje geleden ontvingen wij ineens ons weekendabonnement NRC niet meer. Tot driemaal toe heb ik ‘m, via het internet en via automatische telefoondienst nabesteld, tot driemaal toe tevergeefs. Wij gingen er gemakshalve vanuit dat wij het abonnementsgeld niet hadden voldaan en besloten te wachten om alles recht te zetten totdat wij verhuisd waren. Maar toen lag daar ineens de NRC weer op onze deurmat. Navraag bij de klantenservice leerde dat de krantenbezorging in onze buurt structureel onderbezet was. Men beloofde een financiële tegemoetkoming van twintig euro om het leed van een maand gemiste vrijdag- en zaterdag-NRC’s te verzachten. Wij gingen daarmee akkoord. Wat betreft de bezorging beloofde men beterschap. Iedereen gelukkig.

Vier maanden en ettelijke telefoontjes met de klantenservice later is die twintig euro nog steeds niet teruggestort. Geen ramp natuurlijk, maar irritant is het wel. Steeds als mijn lief (op wier naam het abonnement staat) met de klantenservice belt om te vragen waar haar geld blijft, krijgt ze, na wat plichtmatige verontschuldigingen, te horen dat dit een zaak is voor de Afdeling Ernstige Klachten. Echter, de Afdeling Ernstige Klachten laat zich niet doorverbinden, en is ook niet direct te bereiken. Bij de Afdeling Ernstige Klachten zijn ze zo intensief met ernstige klachten bezig dat ze zelf moeten bepalen wanneer ze iemand met een ernstige klacht terugbellen. De Afdeling Ernstige Klachten zal zo spoedig mogelijk contact met u opnemen. Maar de Afdeling Ernstige Klachten heeft nog steeds geen contact met ons opgenomen. En als mijn lief dan opbelt om te vragen of er echt niemand anders is bij wie ze met haar klacht kwijt kan, dan blijft ze te horen krijgen dat dit een zaak is voor de Afdeling Ernstige Klachten en dat jij hen niet kan bellen, maar dat zij dat zullen doen. Inmiddels hebben wij het vermoeden dat de Afdeling Ernstige Klachten helemaal niet bestaat. Of dat ze daar allemaal overspannnen zijn en gezamelijk hebben besloten een sabbatical te nemen.


Het aardige is nu dat de NRC (aan de bezorging schort inmiddels niks, daar moesten we dan wel voor verhuizen, maar goed) afgelopen zaterdag een paginagroot artikel publiceerde van Herman Vuijsje over dienstverlenende bedrijven die tegenwoordig geen enkele verantwoordelijkheid meer nemen naar hun consumenten toe. Je bent een cijfertje geworden, dat bedrijven moeten kunnen verantwoorden. Jou ter dienst zijn, daar gaat het niet om. Zolang de cijfertjes maar kloppen. Met als gevolg dat je dagen bezig kunt zijn om ervoor te zorgen dat je weer televisie kunt kijken nadat, om onverklaarbare redenen je kabel is uitgevallen.

En laat je tijdens je zoektocht naar iemand die jou kan helpen, gek geworden door alle kastjes en muren waarnaar ze je hebben gestuurd, op een gegeven enige vorm van woede in je stem doorklinken, dan moet je niet raar staan te kijken dat ze aan de andere kant van de lijn niet gediend zijn van zo’n toon en dat, als je niet rustig bent, de verbinding wel eens verbroken zou kunnen worden. Dan laat je even wat stoom uit je oren ontsnappen, wacht je totdat die blokkade in je keel weg is zodat je weer kunt ademhalen zonder te hyperventileren en probeer je op beheerste toon verder te gaan, want je wilt toch gedaan krijgen wat je wenst en zij hebben nu eenmaal de macht. Iemands baas te spreken krijgen zit er tegenwoordig ook niet meer in. Alsof je een restaurant bent ingesleurd, een biefstuk hebt besteld, een aangebrande varkensschnitzel krijgt, zonder de beloofde salade en met slappe friet, je beklag wenst te doen bij de ober die jou serveerde, die echter nergens meer te bekennen is, zodat je maar gaat klagen bij zijn collega’s, die van niks weten en ook niet begrijpen wat er mis is gegaan, en het eigenlijk belachelijk vinden dat je zo loopt te zeuren, waarna je te kennen geeft de baas te willen spreken, die dan weer niet aanwezig blijkt en ook niet te bereiken is, waarna je om de kok vraagt, die na veel gezeur eindelijk zuchtend en steunend aan je tafel verschijnt om je te vertellen dat hij de opdracht heeft gekregen om een aangebrande varkensschnitzel met slappe friet en zonder salade te bereiden. Zo gaat het er tegenwoordig aan toe in de dienstverlenende sector. En er valt niks tegen te beginnen. Nog een geluk dat er iemand bestaat als Peter Breedveld.

Peter Breedveld zat een paar maanden geleden niemand in het bijzonder lastig te vallen toen hij ineens werd gebeld door ene Simone Steggelhof van Vodafone. Of hij geïnteresseerd was in een abonnement waarmee hij veel goedkoper kon bellen en sms’en dan hij nu deed. Hij kreeg er bovendien een hyperhip nieuw cameraatje bij. Zijn moeders raad nooit iets aan te nemen van vreemden negerend, ging de Peter Breedveld in op het lucratieve aanbod. Hij hoefde er niks voor te doen. Het toestel zou gebracht worden door een koerier die ook het contract zou meebrengen, waarna het abonnement zou ingaan. De koerier kwam niet, wel zorgde Vodafone er in de tussentijd automatisch voor dat de GSM van Peter Breedveld zijn simkaart niet meer herkende. Met als gevolg dat hij niet meer bereikbaar was voor zijn opdrachtgevers. Bij de klantenservice van Vodafone wist iemand te melden dat dit kwam doordat zijn nieuwe abonnement was ingegaan.

Na enig aandringen kreeg Peter Breedveld eindelijk contact met Simone Steggelhof. Ze vond het heel vervelend, maar helaas kon ze er niet voor zorgen dat Peter Breedveld weer met zijn ouwe telefoon kon bellen. Hij moest op z’n nieuwe simkaart wachten, die ze op hadden gestuurd. Die kon hij dan in z’n ouwe telefoon stoppen. De nieuwe simkaart arriveerde de volgende dag, maar bleek het niet te doen in Peter Breevelds ouwe telefoon. Woedend belde hij Simone Steggelhof, die te kennen gaf niet van zo’n toontje gediend te zijn. Ik neem aan dat er toen definitief iets knapte in het hoofd van Peter Breedveld, iets onherstelbaars. Na nog een paar pogingen, waarin hij onder andere te horen kreeg dat zijn toestel niet is opgestuurd omdat het nooit voorradig was geweest, is Peter Breedveld maar naar een belwinkel gegaan om over te stappen op Orange.


Hij besloot het er niet bij te laten zitten. Nu kun je naar Radar gaan of zo, of de consumentenbond inschakelen, of Pieter Storms bellen, of het er toch bij laten zitten, Peter Breedveld schreef echter een stukje op zijn weblog waarin hij precies uit de doeken deed welk onrecht hem was aangedaan en wie hij daar direct verantwoordelijk voor achtte, namelijk Simone Steggelhof, die hij meerdere malen, met voor- en achternaam noemde. Het moest maar eens afgelopen zijn met het verschuilen achter je werkgever om je verantwoordelijkheid te ontlopen.

Na plaatsing van het stukje heeft Vodafone contact opgenomen met Peter Breedveld en hem gevraagd de naam van hun medewerker van het web te verwijderen. Dat weigerde Peter Breedveld, Simone Steggelhof had gelegenheid genoeg gehad om haar fouten goed te maken, nu was het te laat. Een en ander is zo hoog opgelopen dat het tot een rechtszaak is gekomen die vorige week woensdag (21 november 2007) plaatsvond. Vodafone en Simone Steggelhof klaagden Peter Breedveld aan wegens het bezoedelen van Steggelhofs naam. Als toekomstige werkgevers haar zouden googelen dan zouden ze haar naam meteen in verband brengen met deze berichten, waarin zij weinig vleiend naar voren kwam. Grote kans dat ze haar niet meer zouden aannemen. Ze had reputatieschade geleden en eiste 5000 euro vergoeding en het verwijderen van haar naam op de website. Vodafone eiste dat alle stukken waarin Vodafone te schande werd gemaakt zouden worden verwijderd, op straffe van een of andere dwangsom.


Simone Steggelhof heeft gelijk gekregen van de rechter, Vodafone niet. Consumenten mogen publiekelijk hun ongenoegen uiten over de hen verleende diensten, of dat ongenoegen nu terecht is of niet. Peter Breedveld blijft dat dan ook doen. De naam van Simone Steggelhof heeft hij inmiddels overal vervangen door een astriskje. In haar geval was de rechter van mening dat Peter Breedvelds reactie disproportioneel was en dat de schade die zij heeft opgelopen door de affaire niet in verhouding stond met het onrecht dat zij hem had aangedaan. Wat wel een proportionele reactie was geweest, wordt mij niet duidelijk. Het lijkt erop dat Peter Breedveld niet schuldig zou zijn bevonden als hij de naam van Simone Steggelhof in plaats van twintig keer slechts drie keer had genoemd, zijn grootste fout is wellicht geweest dat hij bekende gecharmeerd te zijn van het idee dat toekomstige potentiële werkgevers haar naam zouden googelen en dan zouden zien dat ze een leugenaar werd genoemd. Zo kreeg het iets wraakzuchtigs. Dat het hier een column betrof, waarin de nodige stijlmiddelen worden gebruikt om een zo prikkelend mogelijk effect te bewerkstelligen waarbij het veelvuldig noemen van een voor- en achternaam een komisch effect heeft en het gemaakte punt versterken, deed niet ter zake. Argeloze googelaars kunnen niet in staat worden geacht enige nuance aan te brengen en stijlmiddellen als sarcasme en hyperbolen en ironie te herkennen. De macht van google staat voor niets.

Het grapje heeft Peter Breedveld 500 euro gekost. Plus de kosten van zijn belletjes naar Vodafone. Plus de inkomsten die hij wellicht heeft misgelopen omdat zijn opdrachtgevers hem niet konden bereiken. Plus anderhalf jaar van zijn leven, naar schatting. Ikzelf ben overigens van mening dat je zeer zorgvuldig dient om te gaan met andermans privacy. In beginsel, omdat ik nooit kan controleren of iemand terecht ergens van wordt beschuldigd. Of dat nu proportioneel of disproportioneel is, doet dan niet ter zake. Wat mij tegenvalt van de rechter is dat ze de gelegenheid niet heeft aangepakt om Vodafone en Simone Steggelhof op hun respectievelijke verantwoordelijkheden te wijzen. Dat stond dan wel niet ter discussie in deze rechtzaak, het had wel voor een mooi evenwicht gezorgd.


De ware boosdoener is in dit geval natuurlijk Vodafone. Maar die zijn bijna niet te raken. Waardoor ik bijzonder goed begrijp dat Peter Breedveld besloot het op de man te spelen. Ik denk ook dat dit de reden is dat Vodafone in actie is gekomen: kom niet aan hun werknemers, straks is er niemand meer te vinden die bereid is om nog te doen wat Vodafone van hen vraagt, argeloze consumenten schimmige abonnementjes aansmeren en hen van kastjes naar muurtjes sturen als ze het wagen te klagen. Het moet maar eens afgelopen moet zijn met dienstverlenende bedrijven die hun verantwoordelijkheid ontlopen. Ik meen dat Peter Breedveld, met alle commotie die hij heeft veroorzaakt, een bijdrage heeft geleverd aan de oplossing van dat probleem, en ik wens hem dankbaar te zijn voor zijn opofferingsgezindheid. Hoop ik voor hem dat hij snel weer over kan gaan tot de orde van de dag. Make the most of now, meneer Breedveld!

 

27 november 2007

Control

Control
Wie Control wil gaan kijken, zou eigenlijk eerst even 24 Hour Party People in z’n dvd-gleuf moeten schuiven. Niet omdat je Control anders niet kunt begrijpen of omdat je er anders niet van kunt genieten, wel omdat het de kans aanzienlijk vergroot dat je, zoals ik, in een oncontroleerbare lachstuip terechtkomt op het moment dat Joy Division zich laat contracteren door het platenlabel van de onlangs overleden succesvolle loser Tony Wilson, die over het aanstekelijke talent beschikt om met nimmer verzakende energie het leven moeilijker te maken dan het is, en die dat in deze scène bewijst door erop te staan het volledige contract met zijn eigen bloed op te stellen. Met een mengeling van verwondering en gêne kijken de jongens van Joy Division toe hoe hun platenbaas bijna bezwijkt aan het zetten van zijn handtekening, waarna hun manager het contract nog even naleest en een foutje ontdekt. Zwakjes kreunend wikkelt Wilson een doekje van zijn wijsvinger, hij doopt zijn pen nog eenmaal in zijn bloed, herstelt de fout en raakt dan echt het bewustzijn kwijt.

Control is de debuutfilm van onze eigen Anton Corbijn, domineeszoon uit Strijen en gelouterd fotograaf van de Groten der Aarde. En van Bono. De film gaat over het tragische lot van Ian Curtis, zanger van Joy Division. Net als zijn beroemdste foto’s is Control in een stemmig zwart-wit gedraaid om zo de troosteloosheid van een of ander suburbje van Manchester in de jaren ’70 te benadrukken. We volgen Curtis (gespeeld door Sam Riley) vanaf de tijd dat zijn interesse in muziek begint te ontwaken (zijn eerste publiek is zijn spiegelbeeld) tot aan zijn zelfmoord in 1980.

Er is veel te genieten (elk shot is een kunstwerk op zich), maar wat Control echt bijzonder maakt is het verschil dat Corbijn laat zien tussen de opwinding van het podium en de verpletterende alledaagsheid van het dagelijks bestaan. De demystificatie van een rocklegende, zo u wilt. Op jonge leeftijd is Curtis getrouwd met zijn high-schoolliefje Deborah, op wier memoires Control is gebaseerd, en wier onmetelijke liefde voor Curtis schitterend wordt neergezet door Samantha Morton, u weet wel, die haarloze helderziende uit Minority Report. Ze krijgen al vroeg een kind, en dan moet heel dat Rock & Roll-leven nog beginnen.

Dat dit niet goed gaat aflopen, weten we natuurlijk al, maar Corbijn maakt op een fijne, integere wijze duidelijk, zonder al te veel uit te leggen en zonder aan heldenverering te doen, hoe het mis ging met Curtis en diens getroebleerde ziel. Hoe hij niet kan kiezen tussen zijn vrouw en Belgisch meisje dat hij tijdens het toeren heeft leren kennen. En hoe hij onderdoor gaat aan aanvallen van epilepsie. Curtis verliest steeds verder de controle over zijn eigen leven, en hij weet bij God niet hoe daar mee om te gaan.


Het enige vervelende is dat je weet hoe het zal eindigen, en dat je, vanwege de chronologische verteltrant waarvoor Corbijn heeft gekozen, het laatste half uur steeds denkt: zal dit dan het moment zijn dat Curtis ons gaat verlaten? Nee dus. Dit dan? Nee, alweer niet. En zo sleept zich dat nog eventjes voort, dramatisch hoogtepunt na dramatisch hoogtepunt, totdat Curtis zich aan een wasrekje ophangt, de dag voordat hij met Joy Division naar Amerika zou vertrekken. Waarna Deborah het lijk van haar man ontdekt en jankend haar huis uit stormt. Dan zien we de groepsleden verslagen op een bankje zitten, en dan hoe Tony Wilson het huilende Belgische vriendinnetje in zijn armen neemt. En tot slot hoe de rook uit de schoorsteen van het crematorium zich een weg naar de verdwijning baant. Een wat standaardeinde, dat ik bij deze maar gewoon verklap, om teleurstellingen te voorkomen. Het raakt je niet echt zoals het zou moeten, en dat is jammer voor een film die alles juist zo voelbaar maakt. Zoals de concerten van Joy Division, waarbij de opwinding werkelijk van het doek afspat, alsof je er zelf bij bent, met die spastische Curtis als indrukwekkend middelpunt. Alleen daarvoor zou u Control in de bioscoop moeten zien. En als u daar dan zit, ren dan, onmiddellijk na de zelfmoord, snel de zaal uit en ga thuis, in licht verslagen toestand, Corbijns vroegere In Memoriam voor Ian Curtis nog eens bekijken. Hier bijvoorbeeld.

20 november 2007

BLS 1.9: Abra(ha)m leent z'n vrouw uit

Als u deze tekst met leuke plaatjes en alles verhelderende onderschriftjes wenst te lezen, dan verwijs ik u met liefde door naar salonblog Panzerfaust.

Abraham kop

 

Nadat de Toren van Babel was gevallen deed die het met die, en deed die het met die, en bracht die weer die voort, totdat Abram (beter bekend als Abraham, zoals hij later zou gaan heten) het levenslicht zag, aan wie God de belofte deed diens nageslacht tot een groot volk te maken. Hij belooft te zegenen wie Abram wenst te zegenen, en te vervloeken wie Abram wenst te vervloeken. U en ik, sympathiek als wij zijn, zouden vervolgens iedereen die wij tegenkwamen gaan zegenen, opdat al die mensen lang en gelukkig en in harmonie met elkaar zouden leven. Aan de andere kant: het is een bekend gegeven dat zegeningen op kunnen raken, je kunt niet lukraak in de rondte gaan zegenen. Mensen met een roeping weten dat instinctief. Abram weet dat instinctief. Abram is dan ook een man met een roeping. Hij accepteert de beloften van God alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Vijfenzeventig is hij al als hij dit verneemt.

In het gezelschap van zijn kinderen, zijn vrouw Sarai, zijn neef Lot en alles wat zij hadden, vertrokken zij naar het land Kanaän en daarna naar het Zuiderland. Al snel brak er een hongersnood zodat Abram c.s. zich genoodzaakt zag om naar Egypte te trekken.

Voordat zij Egypte binnen gaan, zegt Abram iets wat zijn aard op genadeloze wijze blootlegt. Hij blijkt een nogal laffe persoonlijkheid te hebben. Nu ben ik van mening dat lafheid op sommige momenten geoorloofd is – of op z’n minst begrijpelijk – wat mij echter tegen de borst stuit is dat het hier wordt beoefend door een man die later niet zou aarzelen om zijn zoon aan zijn God te offeren. Zijn zoon de dood injagen, daar heeft hij geen problemen mee, maar om zijn eigen hachje te redden, drukt hij zijn vrouw op het hart haar ware identiteit niet te onthullen. Bang als Abram is dat de Egyptenaren op zijn vrouw geilen en hem zullen doden opdat ze ongestoord van haar talenten gebruik kunnen maken, drukt hij haar het volgende op het hart: “Ik weet, dat gij een vrouw zijt schoon van uiterlijk. Wanneer de Egyptenaren u zien, zullen zij zeggen: Dit is zijn vrouw; en zij zullen mij doden, en u in het leven laten. Zeg toch, dat gij mijn zuster zijt, opdat het mij om uwentwil welga, en ik om uwentwil in het leven moge blijven” (Gen. 12 : 11-14).

Het onvermijdelijke voltrekt zich: al snel gaat het gerucht dat er in Egypte een lekker wijf rondloopt (die dan overigens, als mijn berekeningen kloppen, een jaar of 65 moet zijn, maar dat doet kennelijk niet ter zake). Sarai, zoals Abrams vrouw op dat moment heet, wordt gevraagd om bij Farao te komen (de baas van Egypte, zoals u wellicht had begrepen). Farao neemt Sarai tot zich in zijn Oval Office en doet allerlei dingen met haar die het daglicht niet verdragen. (Of wellicht ook wel, eerlijk gezegd weet ik niet hoe men in het Egypte van die dagen over de daad dacht, en of het wel of geen taboe was om die in het openbaar te belijden. Eigenlijk weet ik niets.) Op verzoek van zijn nieuwe geliefde, overlaadt de Farao haar vermeende broer met allerhande geschenken, zoals schapen, runderen, ezels, slaven, slavinnen, ezelinnen en kamelen. “(Farao) deed Abram wèl om harentwil” (Gen. 12 : 16), zegt de Bijbel hierover, naar ik vermoed een sarcastische verwijzing naar Abrams verzoek aan zijn vrouw van de alinea hiervoor.

Kennelijk kan Abram het toch niet verkroppen dat Farao het met zijn vrouw doet, ook al weet de arme vorst niet beter dan dat het diens zus is, en vervloekt hij de arme man. Ondanks alle geschenken waarmee hij Abram overlaadt, wordt Farao namelijk geslagen door de zwaarste plagen die de Here God in de aanbieding heeft. Farao begrijpt al snel hoe de vork in de steel zit, laat Abram komen en vraagt hem vertwijfeld het volgende: “Waarom hebt gij mij niet meegedeeld, dat zij uw vrouw is? Waarom hebt gij gezegd: Zij is mijn zuster, zodat ik haar mij tot vrouw genomen heb?” (Gen. 12 : 18-19) Ik begrijp de wanhoop van Farao. In zijn plaats had ik Abram levend gevild en, na hem te hebben vierengedeeld, gevoerd aan mijn varkens - mijn vredelievendheid kent zijn grenzen. Aan de andere kant begrijp ik ook wel weer dat Farao Abram heeft laten gaan. Als iemand zijn God al tot zulke plagen kan aanzetten wanneer je het met zijn vrouw doet, terwijl je zelf in de veronderstelling verkeert met diens zuster te rotzooien, dan moet je er inderdaad niet aan denken wat die God voor je in petto heeft als je dat oogappeltje van 'm levend vilt, vierendeelt en aan je varkens voedert. Nee, bij nader inzien ben ik toch van mening dat Farao juist heeft gehandelt. Dit was een uitstekend moment om pas op de plaats te maken. Tegen sommige krachten moet je het niet willen opnemen.

Dankzij zijn laffe aard is Abram nu dus “zeer rijk aan vee, aan zilver en aan goud” (Gen. 13 : 2). En dat terwijl ik altijd heb gedacht dat Abra(ha)m toen hij de bergen introk om zijn zoontje te offeren een oud, godsdienstwaanzinnig schaapherdertje was, die zich zelden waste en gekleed ging in een jas vervaardigd uit een mengsel van stront en stro, en aan zijn voeten sandalen droeg met een houten zool en gespjes van het leer van een gestolen geitenuier. Maar neen dus, de man was stinkend rijk.

En stinkend rijk vertrekt hij, samen met zijn vrouw en de zoon van zijn broer, weer terug naar het land Kanaän. Daar scheiden de wegen van Lot en Abram. Lot gaat naar Sodom. Abram blijft in het land Kanaän. En weer belooft God dat Hij Abram zegent met een rijk nageslacht: “En Ik zal uw nageslacht maken als het stof der aarde, zodat als iemand het stof der aarde zou kunnen tellen, ook uw nageslacht te tellen zou zijn” (Gen.13 : 16) Aangezien Abram zich in een woestijn bevindt, hoeft deze belofte niet verkeerd begrepen te worden. Echter, Abram heeft, ondanks zijn ver gevorderde leeftijd, nog geen enkel kind ter wereld kunnen brengen. En zijn vrouw wordt er ook niet jonger op. Hoe dat af zal lopen, leest u een volgende keer.

14 november 2007

Deadwood

(Wie dit stukje met plaatjes en onderschriftjes wil lezen, verwijs ik door naar Panzerfaust.)

Deadwood titel

Zojuist heb ik de laatste aflevering van het tweede seizoen van Deadwood gezien. En met zojuist bedoel ik een half uurtje voordat ik dit stuk begon te schrijven. En ik begon dit stuk te schrijven op maandag 12 november 2007, om 22:53 uur om precies te zijn, een grove 121 jaar jaar en drie maanden nadat Seth Bullock zijn plichten als sherrif van Montana naast zich neer legde en samen met zijn metgezel Sol Star naar Deadwood afreisde om daar een gereedschapswinkel te beginnen. Daarmee begint aflevering 1 van seizoen 1 van deze monumentale serie. Ergens rond de eerste maanden van 2006 schijnt Talpa ‘m te hebben uitgezonden, waar het, op zaterdagavond rond de klok van elf, vermoedelijk een voortijdige, roemloze dood is gestorven. En dat is ronduit schandalig, voorzitter!

Na The Soprano’s, Six Feet Under, Carnivalé en The Wire (just to name a few) weer een ongelooflijke voltreffer van de Amerikaanse betaalzender HBO, barstens vol met klasse-acteurs waar ik nog nooit van gehoord had. En ik vraag bij deze aan de Heer der Heerscharen om Zijn zegen blijvend te laten rusten op deze onafhankelijke producent, want goddamnit, de cocksuckers van HBO weten hoe ze mij elke keer weer, in porties van twaalf uur, onafgebroken naar het puntje van mijn bruin lederen chesterfield krijgen.

Deadwood is een nederzetting die aan het begin van de jaren ’70 van de negentiende eeuw, tijdens de goudkoorts die er toen heerste, werd overspoeld door een tsunami van outlaws, hoeren en gelukzoekers. Wij volgen een kleine dertig personages die zich staande probeerden te houden in de maanden voordat Deadwood geannexeerd werd door Dakotha en er totale wetteloosheid heerste. Werd er iemand neergestoken in The Gem Theatre dan bood uitbater Al Swearengen zijn hoeren en drank voor de halve prijs aan om escalatie te voorkomen, en werd het dode lichaam bij de Chinees om de hoek aan de varkens gevoerd. Zo ging dat.

Al Swearengen en Seth Bullock zijn de belangrijkste personages in Deadwood. Elkaars tegenpolen, maar gedoemd om samen te werken. Bullock is door de Heer met een bijna onmenselijk hoge morele standaard uitgerust. In het begin is hij de grote held, maar hoe vaker hij zijn enorme rechtvaardigheidsgevoel laat gelden, hoe irritanter hij wordt. Swearengen daarentegen lijkt in eerste instantie de belichaming van het Kwaad (slaat zijn hoeren, vernedert zijn personeel, deinst er niet voor terug om kleine meisjes te vermoorden), maar dan merk je ineens dat je enige sympathie voor hem begint te koesteren, dat er achter dat grote gevaar ergens nog wel een klein hartje schuilt dat in staat is mededogen voor de zwakkere op te brengen. Bovendien heeft hij charme en is hij enorm grappig, dit in schril contrast met Seth Bullock die in al zijn verbeten moralisme gespeend is van elke vorm van humor. Een beetje zoals Willem Holleeder en Koos Plooij. Langzamerhand krijgen ze enigszins respect voor elkaar. Bullock en Swearengen bedoel ik, van Holleeder en Plooij durf ik dat niet te zeggen.

De meeste personages in Deadwood hebben daadwerkelijk bestaan. Bullock was sherrif in Deadwood, Al Swearengen stond inderdaad aan het hoofd van The Gem Theatre. De enige die ik kende (met dank aan Lucky Luke) was Calamity Jane, the most foul-mouthed woman of the West. En foul-mouthed she is. De cocksockers vliegen uit haar mond als speeksel uit een over zichzelf pratende Maarten van Roozendaal (ooit heb ik met de zelfverklaarde koning van de kleinkunst aan één tafel gezeten en pas na anderhalf uur ontdekte ik waarom mijn biertjes zo langzaam op gingen en enigszins van substantie veranderden naarmate ik de bodem naderde, en waarom mijn andere tafelgenoten na elk slokje bier een viltje op hun glas legden - het had allemaal te maken met Roozendaals eeuwige Strijd tegen het Water). Calamity Jane komt Deadwood binnen in het gezelschap van Wild Bill Hickock en diens compagnon Charlie Utter. Helaas voor ons, kijkers, hebben de scenarioschrijvers zich bij Wild Bill Hickock wel aan de feiten gehouden, zodat de legendarische revolverheld halverwege seizoen 1 tijdens een potje poker in zijn achterhoofd wordt geschoten door de coward McCall. Veel te vroeg moest hij ons verlaten.

Naast de bloedstollende verhaallijnen en de verbluffende beelden is het vooral de taal die Deadwood maakt tot wat ik voor de gelegenheid mijn favoriete serie aller tijden wil noemen. De Deadwoods hanteren een onweerstaanbare mix van omslachtige formuleringen en plastische grofheden. Naast Calamity Jane en Al Swearengen is het vooral de kruiperige rat E.B. Farnum die mijn hart heeft gestolen. Hoteleigenaar, informant van Swearengen en burgemeester. Moet hij zich introduceren middels een handdruk, dan meldt hij, vechtend tegen de schaamte, dat de mannelijke tak van zijn familie met de betreurenswaardige eigenschap van zweterige handpalmen zit opgescheept. En als hij midden in een vraag ineens stil valt, schroomt hij zich niet om achteraf te laten weten dat zijn zwijgen het gevolg was van de concentratie die hij moet betrachten om de vermoedelijk onwelriekende gassen in zijn lichaam het ontsnappen te beletten. E.B. Farnum moet zich vaak laten leiden door zijn lichaamsgassen. Hij betreurt dat uiteraard. Net zoals hij zijn eigen twijfelachtige aard betreurt, hij zou willen dat hij sterker was en een nobeler inborst bezat, maar hij is nu eenmaal hebzuchtig en huichelachtig en lafhartig. En zijn sluitspier laat zich nu eenmaal moeilijk controleren als hij nerveus wordt. Er zit voor hem niets anders op dan zich daarbij neer te leggen, en zich zo nu en dan in een schitterende volzin te verontschuldigen voor de luchten die hij verspreidt en de fouten die hij maakt.

De scheldwoorden in Deadwood zijn overigens een anachronisme. In die dagen waren damn en shit en in iets mindere mate darnit het zwaarste geschut dat men voor handen had. Maar aangezien dat slechts een komische uitwerking had, besloot het brein van de serie (David Milch) om voor het gewenste effect zijn personages met een hedendaags scheldwoordenarsenaal uit te rusten. En daar danken wij de cocksucking prick uit de grond van ons weer wat bedorvener hart voor. Sluiten wij af met wat gratis wijze woorden van de heer Swearengen: “Pain or damage don't end the world. Or despair or fucking beatings. The world ends when you're dead. Until then, you got more punishment in store. Stand it like a man... and give some back.” Knoop dat in uw oren en gaat dat godverdomme zien, wil ik maar zeggen.

6 november 2007

Literary Deathmatch: Grunberg vs A.F.Th.

Met zijn petekind voor zijn borst loopt Arnon Grunberg in beheerste tred op A.F.Th. van der Heijden af. “A.F.Th.”, zegt Grunberg op die zo kenmerkend timide, ja bijna fluisterende toon. A.F.Th. kijkt verbaasd om. Als een leeuw die, op weg naar een schaduwrijk plekje onder een boom om een welverdiend tukkie te doen, even uit zijn concentratie wordt gehaald door het geritsel van een antilope in het struikgewas. Wanneer hij ziet dat het zijn gezworen vijand is die hem zijn schrijversnaam toelispelt, loopt hij verder. De leeuw acht de antilope te mager. Of heeft geen honger meer. Of ontbeert de puf. “Zo meteen, na afloop van de prijsuitreiking”, zegt Grunberg terwijl hij zijn petekind over de bol aait, “jij en ik, op de parkeerplaats. Dan laat ik je tandjes slikken. Dan schop ik je zo hard in je ballen dat je piepend om je lieve moedertje slist.” A.F.Th. trekt z’n jasje recht en loopt door, naar het aparte kamertje waar hij tijdens de AKO Literatuurprijsuitreiking in het gezelschap van intimi de voor deze gelegenheid georganiseerde feestelijke maaltijd zal genieten. Een apart kamertje omdat hij niet dezelfde lucht wil ademen als de man die hem in drie open brieven tot op het bot heeft beledigd, en die hem zojuist heeft uitgedaagd.

Tijdens de uiteiking zelf lijken de wapens begraven, de vrede hersteld. Geen vuiltje aan de lucht. Ik had bedacht dat ik aanwezig moest zijn bij deze historische gebeurtenis. Dit kon nog wat worden. Dus ik was naar Apeldoorn gegaan en had mij al vroeg een beetje verdekt opgesteld in paleis ‘t Loo, op de achterste rij. Tussen Kees Jansma en Goedele Liekens door kon ik net Frederieke Spigt zien. Als ik het dreigement van Grunberg aan A.F.Th. niet had gehoord, was ik waarschijnlijk meteen na afloop, hevig teleurgesteld, huiswaarts gekeerd. Maar gelukkig kwam ik net uit de wc gelopen toen ik, wat moeizaam klooiend met de knopen van mijn broek, getuige was van de hierboven beschreven scène.

Zwagerman bleef ook niet ongeschonden.

Joost Zwagerman, na afloop.

Zoals wellicht bekend won A.F.Th. met zijn boekwerk Het Schervengericht het officiële gedeelte van de avond. Waarna het eerst tijd was voor het gebruikelijke beleefdheidsdrankje en –hapje na afloop. En dat duurde en dat duurde maar. Verdomme, wat duurde dat. En wat kunnen die schrijvers en culturele bijpersonen een eind weg lullen zolang ze maar bijgevuld worden. Rond half twee ’s nachts begon Kees Jansma nog tegen me aan te ouwehoeren over een Feyenoord-Ajax ergens halverwege de jaren ’80. Totdat hij erachter kwam dat ik John Metgod helemaal niet was, mij een vuile rotmof noemde en zijns weegs ging.

Maar dan was het ineens zo ver. Terwijl ik met mijn hoofd op een schaal toastjes zalm in slaap was gevallen, werd ik ineens opgeschrikt door een hevig panikerende Joost Zwagerman die, ‘ze zijn aan het vechten, ze zijn aan het vechten’ gillend, de saladetafel omver liep. Binnen tien seconde stroomde de balzaal van Paleis ’t Loo leeg. Toen ik buiten was gekomen had zich reeds een kring rond de twee vechtende kemphanen gevormd. Onder luide aanmoediging van met name Rita Verdonk, circelden A.F.Th. en Grunberg als twee latino’s met vlindermessen om elkaar heen, hun armen wijd, wachtend op wie het eerst de aanval zou inzetten. A.F.Th. had zijn jasje uitgedaan, Grunberg had zijn inmiddels vredig slapende petekind in een dekentje gewikkeld op de trap van huize ’t Loo gelegd.

“Jij geesteszieke hond”, zegt Grunberg op een toon alsof hij bij de bakker een sausijzenbroodje bestelt, “als ik met je klaar ben, zou je willen dat je nooit geboren was. Dat je moeder abortus had gepleegd, A.F.Th. Hoor je me. Je hebt de verkeerde gekozen om het gevecht mee aan te gaan. Hoor je me, A.F.Th. De rest van je miserabele leven kun je je geliefde roereieren alleen nog maar via een slangetje nuttigen, A.F.Th.” A.F.Th. zegt niks. Hij kijkt alleen. Zijn bloeddoorlopen ogen vlammen haat.

 

Afth in elkaar gemept.

A.F.Th., na afloop.

Een minuut of vijf duurde dit voorspel als ineens, uit het niets, Arnon Grunberg naar beneden bukt, een handvol grind pakt en dit in het gezicht van A.F.Th. gooit. Een oerkreet klinkt boven de aanmoedigingen uit. Grunberg stort zich met al zijn kracht op de 150 kilo schrijver tegenover hem. Op goed geluk gooit A.F.Th. zijn arm vooruit, die vol de kaak van Grunberg treft, uit wie voor de tweede keer in zeer korte tijd, een oerkeet ontsnapt, zij het dit keer doortrokken van pijn en genot. A.F.Th. klopt het grind van zijn overhemd af terwijl hij op Grunberg afloopt, die op de grond kruipend op zoek is naar zijn brilletje. Voordat hij die gevonden heeft, merkt hij hoe A.F.Th. hem aan zijn krullen omhoog trekt en diens knie in Grunbergs rug legt. “Vuile hond”, hoor ik Grunberg zeggen op een toon die doet vermoeden dat hij de belastingdienst aan de lijn heeft om hulp te vragen bij zijn aangifte. Armen maken hulpeloze zwembewegingen in de lucht. “Wat had je nou”, sist A.F.Th., “praatjesmaker, wat had je nou?”

Op het moment dat A.F.Th.’s zijn rechterarm naar achteren doet om de genadeklap uit te delen, loopt Joost Zwagerman ertegenaan. Hij wilde voorkomen dat er ‘dooien zouden vallen’, zou hij later aan een journalist van de Gelderlander verklaren. “Mijn ogen”, gilt Zwagerman, “mijn prachtige ogen!” Uit zijn concentratie gehaald door deze onverwachte wending, verslapt de greep waarin A.F.Th. Grunberg houdt. Grunberg aarzelt niet, draait zich om, grijpt A.F.Th. bij zijn nek en bijt hem in het oor, gevolgd door een korte hoek tegen het linkeroog. A.F.Th. rolt van Grunberg af als een walrus van een rots. Grunberg springt erop, pakt A.F.Th. bij zijn haren en begint voluit te meppen op het linkeroog. De doffe klappen op het oog van A.F.Th. worden enkel begeleid door het hoge gehuil van Zwagerman. De rest van de omstanders zijn om een of andere reden muisstil.

Met zijn rechterarm probeert A.F.Th. Grunberg van zich af te houden. Een poging die hij staakt als Grunberg hem voluit in zijn wijs- en middenvinger bijt. De pijn die dit veroorzaakt lijkt ervoor te zorgen dat A.F.Th. een tot voor kort onontdekt reservaat aan kracht kan aanspreken. Met een welgemikte knie zorgde A.F.Th. ervoor dat Grunberg voor het eerst in zijn leven de hoge C weet te halen. De langgerekte o die Grunberg uitschreeuwt wordt gesmoord door de rechtervuist van A.F.Th. Het hoofd van Grunberg tolt op zijn nek, zijn tanden vliegen door de lucht, zo op de schoenen van Robert ten Brink. Met zijn handen in zijn edele delen probeert Grunberg zich te herinneren hoe een mens ook al weer ademt. Piepend, in elkaar gekrompen, kruipt Grunberg over het grindpad, richting zijn petekind.

Grunberg met bloedlip

Arnon Grunberg, na afloop. Zonder tanden, maar met nieuwe bril.

“Het is volbracht”, brengt hij nauwelijks hoorbaar uit. Hij pakt zijn slapende petekind op, wikkelt die om zijn borst en loopt naar binnen. A.F.Th. laat zich omhoog helpen door zijn uitgever en twee van zijn redacteuren. Met zijn drieën steunen ze de Grote Schrijver in zijn zegetocht naar binnen, waar Zwagerman reeds gestrekt op de bank ligt met een biefstuk op zijn oog.

 

31 oktober 2007

Martijn, Muhatma en Adolf

Hear no evil.
Dankzij een behoorlijk opgeklopt bericht waarin ons te kennen werd gegeven dat het de belangenvereniging der Neerlandsche pedofielen genaamd Martijn had behaagd om de voorpagina van hun website op te vrolijken met een beeltenis van onze toekomstige koningin, prinses Amalia (begeleid door de tekst ‘ons koningshuis heeft weer een hele nieuwe generatie prinsjes en prinsesjes voortgebracht, en gelukkig maar’), zag ik mijzelf, in mijn nimmer aflatende zoektocht naar de waarheid en niets dan de waarheid, genoodzaakt een kijkje te nemen op deze virtuele hangplek voor bewonderaars van de tere kinderziel.

Amalia lachte ons reeds niet meer toe, wij waren te laat. Wel werden wij verwelkomd door een aantal citaten. De eerste was van Muhatma Gandhi: "First they ignore you, then they laugh at you, then they fight you, then you win." Een begrijpelijke keuze wanneer je, tegen beter weten in, hoopt op erkenning en acceptatie. Hoewel ik persoonlijk van mening ben dat Gandhi, in al zijn bovenmenselijke, onmogelijk na te volgen morele superioriteit, meer kwaads dan goeds heeft betekend voor de mensheid, is het nu eenmaal zo dat je door de Grote Geest aan te halen, automatisch goodwill kweekt bij de minder kritische van geest. Veel mensen gaan er automatisch vanuit dat je bedoelingen nobel zijn als je de Indiase sandalenverkoper citeert. Echter, met het tweede citaat, maaien onze kindervrienden nonchalant het gras voor hun eigen voeten weg:

"The state must declare the child to be the most precious treasure of the people. As long as the government is perceived as working for the benefit of the children, the people will happily endure almost any curtailment of liberty and almost any deprivation." Op zich niet zo’n opzienbarend citaat, ware het niet dat het afkomstig is uit Mein Kampf, het literaire magnum opus van cultschrijver Adolf Hitler, een man die, in schril contrast tot Muhutma Gandhi, in vele contreien van de wereld wordt gezien als het Absolute Kwaad.

Adolf Hitler en kindje.

"Und spei schon wieder aus, mein kleine Pupsiflupsi. Sehr gut, du bist ein großes Mädchen jetzt."

Waarom, zo vroeg ik mij af, als je jezelf als hoofddoel hebt gesteld om ‘de acceptatie van pedofilie en ouderen-kinderen relaties’ te bewerkstelligen, ga je, of all people, Adolf Hitler citeren? Alsof het daglicht waarin je jezelf hebt weten te manouvreren door te toe te geven des lands kinderen te begeren niet dubieus genoeg is. Na drie dagen en nachten mijn hersens over deze kwestie gepeinigd te hebben, ben ik er nog steeds niet helemaal uit. Wellicht dachten ze: ach, wat de hel, ze moeten ons toch al niet, dan kunnen we onszelf net zo goed meteen laten associëren met de personificatie van Het Beest. Of zouden ze hopen dat wij het citaat op z’n eigen merites kunnen beoordelen, en ons niet laten beïnvloeden door onze kennis over de persoon van wie het afkomstig is? Maar dan nog: waarom het risico lopen? Heeft er nooit iemand anders, iemand die wat minder omstreden is dan Adolf Hitler, iets substantieels gezegd over de waarde van het kind voor onze samenleving? Of zouden de kindervrienden van Martijn door Adolf Hitler te citeren juist willen aantonen dat ons oordeel voortdurend vertroebeld wordt door de balast van het collectieve geweten? Zouden ze ons daarmee willen confronteren? Opdat wij bij onszelf denken: "Maar wacht eens even, die Snorremans kan dan wel fout in de oorlog zijn geweest, wat hij hier zegt is zo slecht nog niet. Wellicht heb ik dan ook te snel geoordeeld over hen bij wie de liefde voor het kind wat overontwikkeld is."

Een andere mogelijkheid is dat ze bij Martijn een zielsverwant vermoeden in de Führer. De man mocht graag in jongenswangetjes knijpen, dat weet ik. En als mijn bronnen juist zijn was Adolf op veertigjarige leeftijd op z’n zachtst gezegd nogal dol op zijn veel jongere nichtje. Maar die was negentien toen ze bij ‘m introk en zo nu en dan op z’n snor scheet. En Eva Braun was geloof ik zeventien toen hij zijn oog op haar had laten vallen. Jong misschien, maar niet zo jong dat we Onkel Alf nu meteen een pedofiel kunnen noemen. Nee, dat kan toch moeilijk de reden zijn dat Martijn nu nou net hem citeert.

Rita Verdonk.

In de verderfelijke wereld der kinderlokkers is het gebruikelijk om de gezichten van overtreders onherkenbaar te maken zodat ze bijna niet zijn te achterhalen.

In het geval van Amalia was de staatsveiligheidsdienst er snel bij om de foto van ons kroonprinsesje aan het wellustige oog van de Nederlandse pedofiel te onttrekken. Die moeten dus allemaal maar weer ‘prinses amalia’ in google intikken om aan hun gerief te komen. (Of ze komen hierheen, dat kan natuurlijk ook.) De RVD bleek woest te zijn op Martijn. Dat het hier een spontane en onschuldige uiting van oranjegezindheid betrof was kennelijk ondenkbaar. Het is goed om te weten dat de rijksvoorlichtingsdiens zo daadkrachtig te werk kan gaan als het landsbelang op het spel staat. Wellicht was het om een daad te stellen nadat Nederland een paar maanden geleden in het wereldnieuws was gekomen omdat een pedopartij op het punt stond sympathisanten te verzamelen zodat ze opgericht konden worden. Een schande waarvan de vieze smaak nog niet was weggespoeld. De Nederlandse tolerantie waar wij ooit zo trots op waren, dreigde op schandelijke wijze misbruikt te worden. Dat nooit meer! Gelukkig heeft de RVD deze misstand nu recht kunnen zetten.

En wat onze gekrenkte landstrots ook weer een beetje wist te herstellen was de manier waarop de uitvaart van Wolkers tot een Nationale Ervaring heeft kunnen uitgroeien. Dit was een uiting van het vrijzinnig soort tolerantie waarop wij als natie zo fier kunnen zijn! De uit aardse lusten opgetrokken oerman uit de jaren ’60 waar de gevestigde orde destijds zo voor sidderde, bleek inmiddels volledig geaccepteerd en leek zelfs de status van Nationaal Troetelbeer te hebben bereikt, hoe onverschillig hem dat ook zelf zou hebben gelaten. Heel anders dan toen onze natie een paar maanden eerder afscheid nam van de schrijver A. Moonen, die ooit nog had geschreven hoe hij de aars van een 12-jarig jongetje schoonlikte terwijl hij aan een blik spinazie dacht. In Moonens hoogtijdagen heette dat excentriek. Zo’n gekke pedofiel, daar konden wij hier wel mee lachen in de jaren ’70 en ‘80. Heel anders dan toen Wolkers een decennia eerder voor het eerst de daad, in al zijn verschijningsvormen, in woorden had weten om te zetten. Toen struikelden de fatsoenrakkers der lage landen over elkaar heen om schande te spreken over het veel te bloemrijke taalgebruik van het Beest uit Oegstgeest. Maar uiteindelijk heeft Wolkers glansrijk gewonnen. Mijn vermoeden nu is dat Martijn, door Amalia op hun website te plaatsen als lustobject en door Adolf Hitler te citeren als wijs man, zich de woede van het volk op de hals probeert te halen ten einde het proces dat Gandhi in bovengenoemde oneliner beschreef te versnellen.
Muhatma Gandhi

"In life, my dear friends... and listen carefully: in life... it's all about... it's all about... it's all euh... how do you say... I forgot the word... this thingy... that life... is... about..." Muhatma Gandhi op een minder dagje, ergens in het jaar 1946, te Delhi.

23 oktober 2007

Het is hier gezellig

(Ook dit stuk was een bijdrage aan de Panzerfaust Week van de Nederlandsche Identiteit.)

In Onze Geliefde Hoofdstad treft men, met name op plekken waar rondtrekkende Amerikaanse jongeren hun enorme rugzakken afdoen om een bagel en een counterclockwise draaiend yoghurtje naar binnen te werken, een Alternative Tourist Guide Through Amsterdam aan. Vol met quasi-handige tips en info over onze volksaard en –gebruiken. Deze gids is geschreven door Boom Chicago, een door Amerikanen gerunde comedyclub waar ik eerlijk gezegd nog nooit ben geweest, maar afgaande op de gids die ze uitgeven en hun tv-programma dat op Comedy Central wordt uitgezonden (het volstrekt ongrappige CCN – Comedy Central News: “We bring Dutch News, the American Way”) sta ik nog liever in de schoenen van een Iraanse vrouw die in the heat of the moment door haar man en diens vijf broers betrapt wordt op overspel met de ezel van de buren, dan dat ik in een van de stoeltjes in hun theater aan het Leidseplein zit.

Ooit, toen ik in zo’n bageltentjes aanwezig was, heb ik het gewaagd een blik te werpen op dit alternatieve toeristengidsje. Om de kern van het leven in Amsterdam te vatten, zagen de schrijvers van Boom Chicago zich genoodzaakt hun toevlucht te zoeken in een woord waarvan je altijd hoort dat het onvertaalbaar is: gezelligheid. Wij citeren Boom Chicago: Gezellig (heh-ZEL-ick, but really with two Klingon 'g' sounds) and the constant pursuit of gezellig-ness is the key to the Dutch psyche. Gezelligheid als sleutel tot de Nederlandsche psyche. Maar wat is die onvertaalbare gezelligheid dan volgens deze Amerikaanse stand-uppers: A gezellig environment is one that allows good times to happen. It's almost like a vibe. And it's contagious. A gezellig place is cozy and inviting and full of gezellig things that make it so gezellig. Afgaande op deze omschrijving, denk ik dat gezelligheid het best als volgt gedefinieerd kan worden: gedeelde knusheid. Want, hoe meer zielen, hoe meer vreugd. Met als gevaar dat iets wat gezellig is, ongezellig kan worden zodra het té massaal wordt en kleine groepen het gaan verpesten voor de rest.

Jaap en George.

Jaap en George lopen hand in hand over de ranch van George, vlak voordat Jaap in de persconferentie zou verklaren dat hij het 'very gezellig' had gehad, wat hij, ongevraagd, in 'American' ging vertalen.

Nu ik het daar toch over heb: zou er een land in de wereld zijn, waarin men het zo vaak heeft over een kleine groep die het verpest voor de rest? Ik vermoed van niet. Momenteel is men in bepaalde delen van Amsterdam West keihard zijn best aan het doen om wijken waar de gezelligheid enigszins ondergesneeuwd raakt door geweld weer gezellig te krijgen. Men doet dat door de schuld te geven aan een klein groepje dat het verpest voor de rest. Met de rest gaat burgemeester Cohen thee drinken en koekjes eten. Men probeert de gewelddadigheden te bezweren door het gezellig te maken. Daar is nogal wat kritiek op. Er zijn heel wat mensen die verlangen naar het moment dat de situatie in Amsterdam West daadwerkelijk ontploft zodat ze kunnen zeggen: zie je wel, ik zei het toch. Ikzelf begrijp mijn burgervader wel. Ik zit zelf namelijk ook nogal conflictvermijdend in elkaar en bedek andermans oneffenheden ook liever onder de mantel der relativering dan dat ik hem ermede confronteer.

Ik ben dan ook dol op gezelligheid. Ik heb zelfs een dwangmatige behoefte om samenscholingen die niet gezellig zijn alsnog gezellig te maken. In mijn ogen bestaat er weinig tragischer dan een bijeenkomst die gezellig bedoeld is en maar niet gezellig wil worden. Van een afstand mag ik dat met veel plezier gadeslaan, maar maak ik deel uit van zo’n bijeenkomst, dan doe ik er alles aan om het alsnog gezellig te maken, en vooral ook om de initiatiefnemer het gevoel te geven dat zijn gezelligheidspoging uitermate geslaagd is. Staat er een band te spelen waar niemand aandacht aan besteed, dan zorg ik er in ieder geval voor dat ze na elk nummer een enthousiast applaus krijgen, wat er op neer komt dat ik zelf enthousiast ga applaudisseren. Meestal vindt dat snel navolging, er zijn immers altijd mensen aanwezig die het gênant vinden als iemand in zijn eentje applaudisseert. Staan er hapjes die volledig onaangeroerd blijven, dan stap ik er fier op af om, uitgebreid de tijd nemend, mijn papieren bordje zorgvuldig vol te stoppen met de aangeboden heerlijkheden. Als een vlinder van bloem naar bloem, fladder ik vervolgens van zwijgend groepje naar zwijgend groepje om op luidruchtig ongedwongen toon met iedereen een animerend babbeltje te maken. Moet er gedanst worden en blijft de dansvloer leeg op een rollende tumbleweed na, dan glijd ik als eerste op mijn knieën tot onder de eenzaam draaiende discobol om het daar, geveld door acute aanval van de zaterdagnachtsgriep, op een uitbundig dansen te zetten. Als het om het redden van de gezelligheid gaat, blijk ik maar al te bereid om mijn aangeboren en over ontwikkelde schaamtegevoel opzij te zetten.

Kaartende oudjes.

Het lijkt gezellig, maar dat is het dus niet.

Aangezien dergelijke inspanningen nogal veel energie kosten, mag ik ook graag bij aanvang van zo’n bijeenkomst, lang voordat de gezelligheid ook maar een kans heeft gehad om zijn aanvang te nemen, luidop roepen hoe on-ge-loof-lijk gezellig het is. Daarmee krijg je de weinige mensen die er dan zijn meestal wel aan het lachen, waardoor de sfeer meteen wat losser wordt en de aarde waarin de gezelligheid moet wortelen lekker luchtig is. Dan wordt het geheid gezellig. Overigens, als laatste redmiddel voor bijeenkomsten waarbij de gezelligheid gefaald heeft wortel te schieten, gebruik ik deze truc ook vaak. Zodra je hardop zegt hoe on-ge-loof-lijk gezellig het ergens is, terwijl iedereen door heeft dat het allesbehalve gezellig is, moeten er mensen gniffelen waardoor het vanzelf al weer een stuk gezelliger is.

Volgens wikipedia komen het Duitse Gemütlichkeit en het Deense hyggelig behoorlijk overeen met de Nederlandse gezelligheid. De Denen zelf schijnen zelfs van mening te zijn dat het woord hyggelig een uitdrukking is die de Deense volksaard als geen ander weet te omschrijven. Dat heeft ze dan met onze gezelligheid gemeen. Het is ook niet zo vreemd dat de enige twee landen waar ze een begrip kennen dat overeenkomt met onze gezelligheid onze buurlanden zijn. Is het niet zo dat men in Amerika vaak denkt dat Kopenhagen de hoofdstad van Amsterdam is? Dat komt vast door de gezellige hyggeligheid die de Denen uitstralen en de hyggelige gezelligheid bij ons.

Die extreme drang naar gezelligheid werkt bij velen onder ons beklemmend. Hoeveel mensen hebben er geen hekel aan Kerst omdat het dan gezellig móet zijn? Niks werkt fnuikender voor de gezelligheid dan verplichte gezelligheid. Vooral omdat er altijd wel iemand tussen zit die enkel onder protest meedoet aan de verplichte gezelligheid, wat dan weer aanstekelijk werkt, met als gevolg dat het niet lang duurt voordat iedereen er ineens bijzit alsof ze zojuist oudtante Greetje hebben begraven, waar niemand echt om gaf, maar die toch te veel van de familie deel uit maakte om het vrolijk op een zuipen te gaan zetten. Op zulke momenten hoor je nog wel eens iemand mompelen hoe lekker gezellig het weer allemaal is. Maar dat is dan sarcastisch bedoeld.

Ooit las ik een reportage over Pony Park Slagharen. Ik ben daar één keer geweest, ergens in de jaren tachtig, en het was het meest troosteloze attractiepark dat ik ooit had bezocht en dat ik ooit hoop te bezoeken. Hoewel het natuurlijk ook wel iets moois heeft, troosteloze attractieparken. Zie ook Coney Island. Hoe het er nu is, weet ik niet, maar ik vermoed dat het een poor man’s Efteling is die er het beste van probeert te maken. In de reportage beschreef de journalist een scène die volgens mij op meesterlijke wijze onze gezellige volksaard beschrijft. Stelt u zich een groep mensen voor, bestaande uit drie moeders en een stuk of acht kinderen. De kinderen doen niks anders dan janken en zeuren en ruziemaken. Op een gegeven moment zitten ze allemaal een patatje te eten. En nog houdt het janken en zeuren en ruziemaken niet op. Nadat een jongetje het patatje van een meisje op de grond heeft gegooid, waarna het meisje begint te janken en een ander jongetje het ene jongetje in de haren vliegt en met zijn hoofd tegen een picknicktafel trekt, waarop ook dit jongetje begint te janken, heeft een van de moeders het gehad. Ze pakt de twee jongetjes hardhandig bij de arm en schreeuwt hen hysterisch in de oren: “EN NOU IS HET GEZELLIG!”

18 oktober 2007

De Nederlander als lousy piano player

Dit stuk verscheen ter gelegenheid van de Panzerfaust Week van de Nederlandsche Identiteit.

Onze jongen.

Op 10 mei 1940 stappen twee gevluchte Nederlandse ministers bij Winston Churchill binnen om op hoge toon te eisen dat Engeland militaire troepen zou sturen om de Duitsers uit ons land te verjagen. Churchill laat rustig zijn broek zakken, draait zich om en bukt zich om de ministers zijn inmense reet te tonen, met daarbij het vriendelijk aanbod deze met kussen te liefkozen. Dankje de koekoek, dacht Churchill, ik ga me daar die hooghartige Hollanders even uit de brand helpen. In de Eerste Wereldoorlog waren wij neutraal gebleven, waardoor we voor Engeland gevaarlijker waren dan wanneer we ons bij de Duitsers zouden hebben aangesloten. Dat was Winston niet vergeten. En dat wij die neutraliteit hadden volgehouden totdat wij, tot onze grote verontwaardiging, werden binnengevallen door de Duitsers, ontlokte Winston de volgende constatering: “De Nederlanders zijn volkomen egoïstisch en vochten pas toen ze werden aangevallen. En dat slechts voor een paar uur.” Een constatering die overigens te lezen valt in het boek ‘Churchill en de Nederlanders’ van Oebele de Jong.

Sinds die Tweede Wereldoorlog smachten wij om de wereld Churchills ongelijk te tonen en te bewijzen dat wij wel degelijk een dapper volk zijn waarop onderdrukten aller landen kunnen rekenen. Nu zijn wij sowieso nogal geneigd om onszelfs te overschatten. Zie bijvoorbeeld ook de Wereldkampioenschappen voetbal en alle overmoed die dan z’n oranje aangelopen kop opsteekt. Wij doen graag met de groten der aarde mee, schreeuwen het hardst van allemaal, maar blijken keer op keer te klein. Met als voorlopig dieptepunt de massamoorden in Srebrenica die zich voltrokken voor de ogen van Karremans en diens blauw gehelmde manschappen. Ik neem het hem niet kwalijk dat hij drie kleuren bagger scheet toen hij in één kamer met Mladic zat. Zou ik ook gedaan hebben. Maar ik ga dan ook niet in het leger. Wij kunnen nu eenmaal niet vechten. Daar zijn wij niet opofferingsgezind genoeg voor. Wij laten ons liever onderwerpen dan dat we ons leven voor een hoger doel op het spel zetten. Wij schijten liever onze broek vol en blijven – hardop klagend, dat wel – in onze eigen stank zitten, dan dat wij ons verzetten. Er stroomt geen heldenbloed door onze aderen, wij zijn niet in staat om te vechten voor wat ons heilig is. De leeuw in ons wapen zou een wezel moeten zijn. Van alle volkeren zijn wij het lafst, wist Julius Caesar al.

Mladic en Karremans

"Off course, I understand", antwoordde Generaal Karremans, terwijl zijn hersens zich pijnigden over de vraag welke plekken Mladic bedoeld kon hebben toen hij zei die granaat daar te stoppen waar de zon nooit scheen als hij niet deed wat hem gevraagd werd.

Waar wij wel goed in zijn, is dijken bouwen. Voorkomen dat we natte voeten krijgen. Die les hebben wij wel geleerd in Srebrenica. Vandaar ook dat we niet naar Uruzgan gingen om te vechten, maar om het land weder op te bouwen. Officieus heet het zelfs dat wij niet naar Uruzgan zijn gegaan om tegen de Taliban te strijden, maar om de Taliban overbodig te maken. Zo heeft de commadant van de Nederlandse troepen Hans van Griensven het letterlijk tegen The New York Times weten te verwoorden. Jammer alleen dat de Taliban niet echt mee wil werken, en onze jongens zich gedwongen zien toch de wapens op te pakken.

Voor een Amerikaan lijkt het mij vrij absurdistisch om te mogen vernemen dat de Nederlanders enkel van plan zijn de Taliban overbodig te maken, niet om tegen hen ten strijde te trekken. In The New Yorker las ik een artikel van John Lee Anderson, getiteld The Taliban’s Opium War. Anderson volgt daarin een Amerikaanse eenheid onder leiding van ene Douglas Wankel, belast met de bestrijding van de papaverteelt. Waar de Taliban tijdens haar heerschappij de papaverteelt had weten uit te roeien, stimuleert zij die momenteel om met de opiumverkoop haar bewapening te kunnen bekostigen. Door de papaverteelt te bestrijden, hinder je de Taliban dus in haar bewapening. Nu hebben de Amerikanen zo hun eigen methoden voor het bestrijden van de poppyvelden. Ze vernietigen gewoon alles wat hen maar aan papaver doet denken, waardoor het, de beperkte plantenkennis van de gemiddelde Amerikaanse soldaat indachtig, nogal eens voorkomt dat niet alleen de papavervelden, maar ook volstrekt onschuldige bebouwing vernietigd wordt. En dat vinden de boeren, die het toch al niet makkelijk hebben, uiteraard niet leuk. Dus waar de Nederlanders bezig zijn om de hearts & minds van de plaatselijke bevolking te veroveren om hen de Taliban te doen vergeten, zorgen de Amerikanen er voor dat die hearts & minds juist weer richting de Taliban draaien. Het moge duidelijk zijn dat Douglas Wankel en de Nederlanders in Uruzgan elkaar niet echt goed liggen.

Die Douglas Wankel moet echter wel voor al zijn acties in Uruzgan toestemming vragen aan het Nederlandse kamp. En dat terwijl hij net zo op de Nederlander neerkijkt als Churchill die keer dat hij, vlak na de oorlog, bij ons op bezoek was en door koningin Wilhelmina werd gedwongen mee te doen aan een wedstrijdje koekhappen en spijkerpoepen. Als Wankel naar het Nederlandse kamp is geweest en terugkomt met een heel klein stukje land waar hij en zijn team de papaverteelt mogen bestrijden (ver van het Nederlandse kamp vandaan) zegt hij over onze jongens: “They’re as nervous as whores in a church.”

Wilhelmina en Churchill.

Wilhelmina kan een gevoel van triomf niet onderdrukken nadat zij, voor het oog van de verzamelde pers, Winston Churchill heeft verslagen bij een potje oud-hollands sjoelen.

Als hoeren in een kerk. Liever dat dan dat ze denken dat je een homo bent natuurlijk, maar toch. Van een documentaire van Arnold Karstens had ik al begrepen dat het Nederlandse leger in Uruzgan niet echt aan opbouwen toekomt. Sterker nog, ze kwamen amper hun fort uit, omdat ze dan binnen geen tijd belaagd werden door de Taliban. Een paar maanden geleden hoorde ik eerder genoemde Hans van Griensven in een radio-interview zeggen dat hij het trotst was op het herstel van een belangrijke brug. In The New Yorker komt echter Soona Niloofar aan het woord, een vrouwelijk lid van het parlement in Uruzgan. Volgens haar valt die beloofde wederopbouw van de Nederlanders nogal tegen: “There’s a big gap between them and the people.” De Nederlandse aanwezigheid was enkel voelbaar rond hoofdstad Tirin Kot en de enige daden van betekenis waren het herstel van een beschadigde brug (dezelfde waar Van Griensven zo fier op was, vermoed ik) en het opzetten van een naai-atelier. Een woordvoerder van de Nederlandse regering voegt daar, enigszins verontwaardigd, aan toe dat er wel degelijk andere projecten waren gerealiseerd, waaronder Cleaning Up Tirin Kot, wat inhield dat de winkelpuien een likje verf kregen en de vuilnisophaaldienst in goede banen werd geleid. Dat is inderdaad geen geringe prestatie in een land waar je vaak amper het verschil ziet tussen een blauwe vuilniszak en een in burka geklede vrouw die even is gaan zitten. Niloofars oordeel is desondanks vernietigend: “The Dutch policy is a very weak one, and it makes the enemy stronger.”

Op de tweede dag dat Anderson meegaat met het konvooi, springt Douglas Wankel op een A.T.V. om een rivier te doorkruizen. Op het laatste moment klimt er ook nog een Nederlandse journalist op, ondanks de waarschuwingen van de chauffeur dat hierdoor de balans zoek zou kunnen raken. Afijn, als het voertuig de oever oprijdt, begint de jeep te wiebelen om ten slotte om te slaan. De Nederlandse journalist weet op tijd zijn hachje te redden, Wankel niet en komt onder de auto te liggen. “Hogan (de chauffeur, red.), unhurt, began cursing the Dutchman, who had vanished.” Met de staart tussen de benen vertrokken en in velden noch wegen te bekennen. Ik vraag me af wie deze journalist was. Misschien was het Arnon Grunberg wel. Of die dude die op een gegeven moment zelf ging meeschieten.

In ieder geval, tijdens lezing van het artikel stuit je op de ene na de andere Nederlandse blunder. En altijd hebben we wel een smoesje paraat. Maar de onderliggende boodschap is eigenlijk altijd dezelfde: wij doen ons best, maar kunnen wij het helpen dat wij in Nederland geboren zijn? Wat dat betreft werden wij het beste getypeerd toen Karremans destijds oog in oog met Mladic stond.
"I always say: don't shoot the piano player", zei Karremans.
Mladic liet via zijn tolk merken dat ie niet helemaal begreep waar Karremans het over had.
"I always say: don't shoot the piano player", zei Karremans nog een keer.
"So what?", liet Mladic zijn tolk zeggen.
"I am the piano player", zei Karremans.
"Then you're a lousy piano player", zei Mladic via zijn tolk.

Pieter van Vollenhoven.

De lousy piano players der lousy piano players: Meester Pieter van Vollenhoven aan het begin van zijn carriere als gevleugelde vriend, toen hij enkel nog een besnaarde vriendin had, beter bekend als prinses Magriet.

Daar sloeg Mladic de spijker op de kop. Eigenlijk bestaat heel het Nederlandse volk uit lousy piano players. Van die jazzpianisten die in een slecht geventileerd café de achtergrondmuziek verzorgen. Die zichzelf eigenlijk te goed vinden om de aanwezige penoze te vermaken. Maar als ze na hun set bij de tafel van de penoze worden geroepen omdat ze zo aardig gespeeld hebben, proberen ze er in het gevlei bij te komen. Dat doen ze uit een mengeling van angst en een behoefte er toch bij te horen. Vallen ze in de smaak, dan worden ze vrijmoediger. En na een avond of tien hebben ze het hoogste woord en maken ze de brutaalste grappen. En eindelijk hebben ze het gevoel werkelijk te leven. Ze spelen met de grote jongens mee. Maar als een rivaliserende bende komt huishouden in het café, weten ze niet hoe snel ze weg moeten komen. Dan kruipen ze onder hun vleugel, knijpen hun ogen dicht en houden hun adem in in een poging onzichtbaar te worden . En mochten ze dan toch nog gevonden worden, dan is een bibberend "Don't shoot me, I'm the piano player" alles wat eruit komt. Ja, zo zijn wij Nederlanders, een verzameling lousy piano players in Grand Café de Boze Buitenwereld.

PS: Mocht de laatste alinea u bekend voorkomen, dan is dat niet zo vreemd want die heb ik bijna letterlijk overgeplagieerd van me eigen.

16 oktober 2007

De Onvergeeflijke Faux Pas van Máxima

Klompendans
Het begon vermoedelijk bij Geertje Wilders. Máxima scheen, in een toespraak ter begeleiding van een nieuw rapport van de WRR, te hebben gezegd dat de Nederlandse identiteit niet bestond. Uiteraard was dat een schande. Onze toekomstige vorstin, zelf van Argentijnse origine, had zich politiekcorrecte prietpraat laten influisteren ter meerdere eer en glorie van de multikul, of weet ik welke psalmstrofen van het rechtse kerkkoor Wilders nu weer had gekermd. Maar dat was gekke Geert, daar hoefde niemand naar te luisteren.

Toen kwam daar echter Paul Scheffer inene om de hoek kijken, een sociaal democratische intellectueel die zeven jaar geleden de knuppel in het weldenkend deel van het hoenderhok had gegooid met zijn essay Het Multiculturele Drama. Nu was hij met een nieuw wapenfeit op de proppen gekomen, een boek dat de titel Het Land van Aankomst droeg.

Ter promotie van zijn boek vertelde Scheffer in allerhande interviews hoe hooghartig het van Máxima was om de Nederlandse identiteit te ontkennen. Zij zou daarmede, en wij gaan citeren uit een interview met De Pers “niet begrijpen dat het overgrote deel van de Nederlanders heel erg aan een plek is gebonden (…) Zij doet alsof er geen grenzen zijn. Omdat zij veel airmiles heeft gespaard, is ze een wereldburger. Ze heeft in allemaal gated communities gewoond. Die lijken allemaal op elkaar.” Volgens Scheffer zegt Máxima met haar toespraak het vertrouwen op in dat deel van de bevolking dat op Wilders, Verdonk of Marijnissen heeft gestemd, mensen die zich niet meer vertrouwd voelen in het politieke midden. Even later noemt hij Máxima’s uitlatingen een onderdeel voor een opstand van de elite, die na de opstand van de burgers zou komen.

De volgende dag zag ik NOVA, waarin bleek dat er zelfs Oranjeverenigingen waren die aanstoot hadden genomen aan de uitspraken van de gemalin van onze toekomstige koning. Niet in de laatste plaats omdat Beatrix tijdens Prinsjesdag er nog zo op had gehamerd dat nieuwkomers zich bewust moesten zijn van onze nationale identiteit. En dat wij trots moeten zijn op onze nationale identiteit. En daar hebben de Oranjeverenigingen natuurlijk een punt. Bovendien begrijp ik wel dat mensen die hun bestaansreden hebben gebaseerd op zo’n belangrijk symbool van de vermeende Nederlandse identiteit als ons koningshuis, zich een beetje belazerd voelen wanneer onze kroonprinses datgene gaat ontkennen wat zij juist representeert.

Oranjevereniging

Oranjevereniging Giesenburg op een doordeweekse dag.

Tijdens deze reportage zag ik ook voor het eerst wat Máxima nu feitelijk had gezegd. Zij vertelde in haar toespraak dat ze een spoedinburgeringcursus had moeten volgen om Nederlander te worden. Zij had gezocht naar dé Nederlandse identiteit en dé Nederlander, maar deze niet gevonden. Zij zei dat Nederland grote ramen zonder gordijnen was, zodat iedereen goed naar binnen kan kijken. “Maar ook: hechten aan privacy en gezelligheid. Nederland is: één koekje bij de thee. Maar ook: enorme gastvrijheid en warmte.” Enzovoort en zo verder. Om alle misverstanden te voorkomen, voegde zij er zelfs aan toe: “Nederland is veel te veelzijdig om in één cliché te vatten. ‘De’ Nederlander bestaat niet. Als troost kan ik u zeggen dat ‘de’ Argentijn ook niet bestaat.”

Kortom, een ontzettend lieve poging van de kroonprinses om recht te doen aan de complexiteit van ons land. Ze wilde een koninklijke pluim in onze volkse reet steken. En wat kreeg ze ervoor terug? Bakken stront, mevrouw. Nadat de oranjevereniging haar ongenoegen op Nova had geuit, bleek men in de studio ook nog eens Gietijzeren Rita aan de lijn te hebben die weer een electoraal slaatje uit een gevoelige kwestie dacht te kunnen slaan met de volgende zinnen: “Eerlijk gezegd schrok ik een beetje. Ik dacht, wat zegt ze nou? Dé Nederlandse identiteit bestaat niet? Dé Nederlander bestaat niet? Ik was er echt een beetje van van slag.” Waar moet dat heen met deze wereld als zelfs Rita Verdonk van zo’n onschuldige uitspraak van slag raakt? In haar verdere uitleg sprak ze voornamelijk Scheffer na. En gevraagd naar wat die Nederlandse identiteit precies inhield, antwoordde Verdonk dat de Nederlander trots is op zijn grondwet, op zijn rechten en vrijheden waar zijn voorouders voor hebben gevochten.

Twee dagen later zond Netwerk een reportage uit waarin Afshin Elian, Silvain Ephimenco en James Kennedy aan het woord kwamen. Drie buitenlanders die al een tijdje in Nederland wonen. De eerste twee kent u als zogenaamde Islam-critici, de derde bevindt zich meer in het softe kamp, waar men roept dat Nederland door de eeuwen heen, juist door op spitsroeden te lopen, haar religieuze geschillen heeft kunnen oplossen, en dat zulks ook nu zou moeten gebeuren. Ik algemeniseer het maar een beetje, dat vergeeft u mij hopelijk.

Bij Ephimenco kwam het stoom zoals gewoonlijk uit de oren. Zijn mond spuwde, de meest gezwollen metaforen uit om zijn ongenoegen over deze schandelijke kwestie te uiten. James Kennedy had zich vooral verbaasd over de ophef die het had veroorzaakt. En Elian herinnerde ons eraan dat dé Nederlander wel degelijk bestond. Je hoeft alleen maar op vakantie te gaan en je ziet de Nederlander. Waar je ook bent, een Nederlander is van een kilometer afstand te herkennen. Aan hoe hij zich kleedt, hoe hij loopt, hoe hij praat, hoe hij zich gedraagt. En daar sloeg Elian natuurlijk de spijker op de kop. Het is altijd weer apart om te zien, een mede-Nederlander in den vreemde: iemand die volledig níet strookt met zijn omgeving, maar daar toch met een verbijsterende vanzelfsprekendheid doorheen beweegt.

De Nederlandse toerist.

De Nederlandse toerist: volkomen misplaatst, en toch zo op z'n gemak.

De criticasters van Máxima zullen dus wel gelijk hebben. Nederland heeft een identiteit en dé Nederlander bestaat. Maar waaruit bestaat dé Nederlandse identiteit dan? En wat maakt de Nederlander Nederlands? Waar is het cement van gemaakt dat ons bijeen houdt? Van Maastricht tot Delftzijl, van Vlissingen tot Almelo? Het zou toch wel meer zijn dan het vermogen om van een onschuldig mugje een hysterische olifant te maken, zoals de laatste dagen weer eens gedemonstreerd? En het zou toch ook wel wat meer zijn dan onze legendarische zuinigheid? De komende week zal uw geliefde salonblog FANZERPUIST.org naarstig op zoek gaan naar antwoorden op bovenstaande vragen. In de enige echte PF Week van de Nederlandsche Identiteit. Wij wensen u leerrijke dagen toe.

10 oktober 2007

PF Week van de Nederlandse Identiteit

Overigens, op initiatief van uw eigen nederige dienaar van het geschreven woord, vind momenteel op salonblog Fanzerpuist.org de Week van de Nederlandsche Identiteit plaats. Allen dus daarheen om mee te praten over de fijne Joods-Christen-Islamo-humaan-calvinistische natte voeten-maatschappij waarin wij leven.

Verkoooppraatje

Villa Arena
Onlangs zag ik in de documentaire Pretpark Nederland (zeer de moeite van het kijken waard overigens, zeker voor iedereen die zich afvraagt wat de Nederlandse identiteit nu precies is) hoe Japanse Toeristen® van hun gids te horen krijgen dat de Nederlander zijn feestdagen op de meubelboulevard doorbrengt. Nu was het afgelopen zondag wel geen feestdag, toch besloten mijn lief en ik naar de Villa Arena te gaan, om te kijken of wij in een van de vele meubelzaken die deze boulevard rijk is, een geschikte tafel konden vinden. Al snel bevonden wij ons in een zaak die de naam Sanders Meubelstad droeg. Al net zo snel hadden wij een tafel gevonden, die zowel schappelijk geprijsd was als alleraardigst om te zien. Wij waren nog geen tien minuten binnen of wij hadden eigenlijk al de tafel gevonden waarnaar wij zochten. Dat kon niet de bedoeling zijn.

Aan een meubelboulevard moet je toch op z’n minst een halve dag verspillen, zelfs als het buiten veel te mooi weer is voor de tijd van het jaar. Vandaar dat wij, nadat wij Sanders Meubelstad helemaal hadden bekeken, in willekeurige volgorde een bezoekje hebben gebracht aan Montel Meubelen, Valhal Woonideeën, Rofra Meubelen, De Stam Totaal Wonen, Bruynzeel Keukens, Baalbergen Wonen en Goossens Wonen en Slapen. Bij al die zaken word je bij binnenkomst aangevallen door een verkoopster die je vriendelijk wat te drinken aanbiedt. Wij weigerden categorisch om vervolgens als een shovel door hun meubelzaak heen te denderen, alles luidkeels afkeurend wat wij tegenkwamen.

Uiteindelijk kwamen wij dus toch weer bij Sanders Meubelstad terecht. Wij gingen nog eenmaal achter de eerder geziene tafel zitten, om na vijf minuten overleg tot de conclusie te komen dat we gek zouden zijn als we deze tafel niet zouden aanschaffen. Het was bovendien de laatste dag dat er tien procent korting zou worden gegeven.

De verkoper die het zaakje met ons afhandelde had een mooi, licht glimmend, blauwgrijs verkoperspak aan, met daarboven een al even mooi en net zo licht glimmend verkopershoofd, een glanzend verkoperskapsel, een stralende verkopersglimlach en blikkerende verkoperstanden. Precies waar je op hoopt als je naar Sanders Meubelstad gaat om een tafel te kopen. Hij nam met ons de gegevens door. Naam, adres en postcode. En of de tafel ook gebracht moest worden naar het opgegeven aders. Ja, zei ik. Da’s dan jammer voor de buren, zei de verkoper en even straalde zijn verkopersglimlach nog harder dan gewoonlijk.

Om met Gietijzeren Rita te spreken: ik was er eerlijk gezegd een beetje van van slag toen ik deze uitspraak hoorde. Hoezo was dat jammer voor mijn buren? Zou het bezorgen en in elkaar zetten van deze tafel voor zoveel overlast zorgen dat de mensen die naast en onder ons wonen er verstandig aan zouden doen een week lang het land te ontvluchten, wilden ze niet de rest van hun leven met een gekmakende piep in hun oren rondlopen? Of ging deze verkoper er vanuit dat mijn lief en ik allebei geen vrij van ons werk konden krijgen om de tafel in ontvangst te nemen, zodat één onzer buren de tafel in hun huis moesten zetten totdat wij in de gelegenheid waren haar op te halen? Hoe ik er ook over nadacht, ik begreep bij God niet waarom onze buren het spijtig moesten vinden dat wij deze tafel gingen kopen.

In opperste verwarring richtte ik mij tot mijn lief: wat is jammer voor onze buren, vroeg ik haar fluisterend. Laat maar, zei ze mij zonder geluid te maken, en begeleidde deze twee woorden met een wegwerpgebaar die zoiets wilde zeggen als: ik leg het je later wel uit. Maar ik moest en ik zou het nu weten. Wat is er precies jammer voor mijn buren, vroeg ik aan de verkoper. Niks, zei de verkoper en zijn verkopersglimlach zag er ineens een beetje besmuikt uit, bedekt met de sluier der lichte gêne. Het was een grapje, zei mijn lief op fluistertoon. Een grapje, bracht ik uit, maar wat is er dan precies jammer voor onze buren? En wat is er daar grappig aan? Het is niets, zei de verkoper. Maar ik drong erop aan dat hij mij uitleg verschafte. Ik bedoelde, zei hij, dat het jammer is voor de buren dat de tafel niet bij hen bezorgd wordt. Waarom is dat dan zo jammer voor ze, vroeg ik, er nog steeds geen snars van snappend (en ook niet door hebbend dat de verkoper inmiddels liever opgeslokt zou worden door de aarde dan nog langer met mij aan mijn toekomstige tafel te zitten). Omdat, zo zei de verkoper nauwelijks hoorbaar, omdat het zo’n mooie tafel is dat de buren 'm ook wel zouden willen. Wat zegt u, vroeg ik, terwijl ik mijn rechteroor wat dichterbij bracht. Omdat uw buren zo’n mooie tafel ook wel zouden willen, zei de verkoper nu duidelijk hoorbaar, daarom zouden zij het wellicht jammer kunnen vinden dat de tafel niet bij hen, maar bij u wordt bezorgd. En eindelijk viel bij mij het kwartje.

4 oktober 2007

BLS 1.8: Babelonisch brabbelen

Het is alweer veel te lang geleden dat ik nog eens wat geschreven heb over de avonturen van God en Zijn vriendjes. Dus laat ik de draad maar weer eens oppikken. De Zondvloed is voorbij, het is tijd voor de nazaten van Noach om zich over de aarde te verspreiden. Zo gezegd, zo gedaan. De gehele aarde, zo lezen wij, was nu één van taal en één van spraak. Maar dat zou niet lang meer duren.

De God waar wij nu mee zullen kennis maken, is een onzekere God, een God die het idee krijgt dat Zijn heerschappij in het geding komt als hij niet snel een stokje steekt voor de hoogmoedige plannen van Zijn volk. Een God die bang is dat Zijn volk Hem niet meer nodig zal hebben. Dat volk blijkt namelijk helemaal geen zin te hebben om zich over de aarde te verspreiden. Ze blijven liever bij elkaar. Samen sta je sterk en vind je makkelijker warmte als je daar node aan hebt, en kun je elkaar nog eens uit de brand helpen, of aan een baantje. Kortom, waarom met wat vee en familie door de woestijn zwerven, een ongewis bestaan tegemoet, als je ook gezellig bij elkaar kunt zitten met zo nu en dan een biertje erbij.

God twijfelt.

"En de Here nu dacht bij Zijn eigen, Hij dacht: Wie ben Ik eigenlijk? En waar kom Ik vandaan? En waar ga Ik heen? En wat nu als Mijn volk Mij niet meer nodig heeft? Aldus dacht de Here en raakte in een identiteitscrisis die zijn weerga niet kende." (Genesis 11:5)

Dat volk besluit kortom een stad te bouwen, met in het midden een hoge toren. Een toren die tot aan de hemel zal reiken. Met name dat laatste lijkt de Here niet te zinnen. Hij besluit van Zijn troon te komen om een kijkje te nemen, en het bevalt niet wat Hij ziet: "Zie, het is één volk en zij allen hebben één taal. Dit is het begin van hun streven; nu zal niets van wat zij denken te doen voor hen onuitvoerbaar zijn." (Genesis, 11:6) Zoals gezegd, de Here wordt bang dat Zijn volk Hem straks niet meer nodigt heeft. En wat gebeurt er met een God die niet meer nodig is? Die sterft. Ook God blijkt bang voor de dood.

In plaats van eerlijk te zeggen dat Hij dit niet voor ogen had toen Hij Zijn volk opdroeg zich over de aarde te verspreiden, daalt Hij neder om de taal te verwarren. Of Hij ervoor zorgt dat alle bouwvakkers ineens een andere taal spreken en elkaar letterlijk niet meer verstaan, of dat de bouwers elkaar niet meer begrijpen omdat ze ineens verschillende belangen krijgen en dus overdrachterlijk niet meer verstaan, verzuimt de bijbel te vermelden. Ik vermoed het laatste. Het zou natuurlijk mogelijk zijn (Gods kunnen staat voor niets), maar het lijkt mij vrij onvoorstelbaar als Japhet uit het niets Frans begint te spreken tegen Smolit die, zonder daarvoor opgeleid te zijn, zomaar het Engels machtig blijkt. Wat je je helemaal niet voor kunt stellen, is als al die bouwers van het ene op het andere moment vergeten zijn hoe je ‘geef die metselaar eens door’ moet zeggen in de taal die ze al die jaren daarvoor zonder problemen hebben gebezigd. Of dat zo’n bouwer thuis komt na een dag hard werken waarin ook nog eens iets wonderlijks is gebeurd (hij bleek ineens een taal te spreken die niemand anders verstond dan hijzelf, en al zijn maten bleken ook allemaal in een taal te brabbelen die alleen zijzelf konden verstaan), en dan het verhaal niet kan vertellen omdat zijn vrouw Fins blijkt te spreken en zijn kinderen respectievelijk Kazachstaans, Hoog-Duits en Papiemento. Lijkt mij sterk.

Babel 1

"En Samith, die ineens louter Swahili sprak, vroeg aan Mesjmah of hij nog een tichel van een centimeter of dertig breed had. Maar Mesjmah, die enkel Japans sprak, dacht dat hem gevraagd werd om een kraanvogel na te doen." (Genesis 11:7)

Hoe de Heere het ook voor elkaar heeft gekregen, Zijn plannetje werkt: al snel staakt men de bouw van de stad en de toren. En die toren die er nooit is gekomen, is men Babel gaan noemen. Tegenwoordig draait men zijn hand niet meer om voor een toren die tot aan de hemel reikt. Maar God lijkt niet meer de moeite te willen nemen om daar een stokje voor te steken. Of hieruit blijkt dat God zich van ons heeft afgekeerd, is een vraag die ik uiteraard niet kan beantwoorden. Ik neem aan dat Hij eenvoudigweg de zinloosheid heeft ingezien van Zijn eerdere optreden, waardoor de toren van Babel er nooit is gekomen. Het heeft immers niet geleid tot een vreedzaam samenleven tussen de volkeren der aarde, die algehele verwarring. Ik neem aan dat Hij spijt heeft van Zijn actie. Alhoewel, echt een talent voor zelfreflectie heeft de Here niet. Integendeel. Altijd zijn wij het, de mensenkinderen, die schuld hebben aan alle ellende. Nooit zou Hij eens zeggen: sorry jongens, inschattingsfoutje, laat ik het even terugdraaien. In welk een schone wereld hadden wij immersgeleefd als wij elkander gewoon hadden begrepen?

babel 4

"En Dizjnazar, die van het ene op het andere moment enkel Russisch sprak, probeerde in het boek dat hij van Esiewah had gekregen te lezen hoe men een fundering stut. Maar hij begreep niks van wat hij las. Vandaar dat men spreekt van een Dizjnazar als iemand iets niet begrijpt." (Genesis 11:8)

Inmiddels lopen er hier een hoop zelfverklaarde plaatsvervangers van God op aarde rond, om de taak op zich te nemen die Hij verzuimd uit te voeren. Ik heb het over mensen als Mohammed Atta en de zijnen. Ook zij wensten de hoogmoed van de Westerse medemens af te straffen. Maar omdat zij niet die almacht hadden onze spraak te verwarren, besloten ze op 11 september 2001 een hedendaagse Toren van Babel met de grond gelijk te maken door er met twee vliegtuigen op in te vliegen. Tot op heden is de wereld er diep over verdeeld hiemee om te gaan, de verwarring is vermoedelijk niet minder dan destijds tijdens de bouw van de Toren van Babel.

Het is mijns inziens ook geen toeval dat Bin Laden en Mohammed Atta en Andries Knevel de datum 11 september hadden geprikt om hun weerzin jegens hoge gebouwen een uitlaadklep te geven. Het is immers Genesis 11:9 (ik zet het maar even vet, opdat vooral niemand de link ontgaat) waarin de bijbel Gods bedoelingen prijsgeeft: "Daarom noemt men haar Babel, omdat de Here daar de taal der gehele aarde verward heeft en de Here hen vandaar over de gehele aarde verstrooid heeft." En wij zitten met de chaos.

2 oktober 2007

De Föhn

de fohn screenshot 1
Vegeet Psycho, vergeet Se7en, vergeet Silence of the Lambs, vergeet Blue Velvet. Leuk geprobeerd, daar niet van, maar de meest beklemmende psychopatenthriller uit de filmgeschiedenis komt toch echt van Nederlandse bodem. De gestoorde gekken uit voornoemde films zijn een stel frisgewassen koorknaapjes die één keer per week laat mogen opblijven om Wedden Dat! te zien vergeleken met de psychopaat uit De Föhn, het magnum opus van Rembo & Rembo.

De Föhn vertelt het huiveringwekkende verhaal van meneer De Groot (schitterend sobere rol van Theo Wesselo) die naar aanleiding van een advertentie aanbelt bij iemand die een föhn te koop heeft aangeboden. Prima föhntje, zo verzekert de verkoper. Maar als meneer De Groot vraagt of de verkoper wellicht zo vriendelijk zou willen zijn een stekkertje op de föhn aan te sluiten, zodat hij de föhn op z’n werkzaamheid kan testen, ontvouwt zich in kil zwart-wit langzaam maar zeker een zenuwslopend intimidatiespel tussen koper en verkoper, waaruit geen enkele uitweg mogelijk lijkt.

de fohn screenshot

“Goh zeg, daar op de hoek waren alle kroonsteentjes echt helemaal uitverkocht. Ben ik naar Zuid gereden, woont een goeie vriend van me, nou, die sterft echt van de kroonsteentjes. Echt overal waar je kijkt heeft ie die dingen liggen.”

De spaarzame middelen waarmee regisseur Erik van der Broek de spanning weet op te bouwen zijn even eenvoudig als doeltreffend. Een close-up en één lang aangehouden zware pianotoon, meer hoeft dat kennelijk niet te zijn om je nekharen overeind te doen staan. Maar de ware ster van De Föhn is Maxim Hartman als verkoper, wiens overdreven vriendelijkheid je al snel naar de keel grijpt om nooit meer los te laten en ‘m steeds harder dicht te knijpen, totdat alle adem je ontnomen is en er niks anders opzit dan te bidden voor een snelle afloop. Een beetje zoals ik laatst had toen ik in de Efteling nietsvermoedend een ritje ging maken in de Vogelrok. Zeven kleuren bagger heb ik gescheten.

De Fohn Screenshot 2

“Nou moet jij eens goed naar me luisteren mannetje: jij komt een prima föhntje bij me kopen, en nou blijkt dat jij niet genoeg centjes bij je hebt, maar daar kan ik niets aan doen!”

Rembo & Rembo hebben een ogenschijnlijk onschuldig, alledaags verschijnsel als de koop van een föhn als uitgangspunt genomen. Is het, juist in deze tijden van Marktplaats en eBay, niet een angst die ons allen wel eens overvalt wanneer wij reageren op een advertentie en geacht worden het door ons gewenste kleinood bij de aanbieder thuis op te halen? De angst dat wij bij een psychopaat terecht komen die, in plaats van de door ons gewenste uitwisseling van geld en goederen te laten plaatsvinden, ons in zijn kelder aan de verwarming vastketent om de rest van ons heilloze leven elk kwartier 220 volt door de tepels te jagen. Ja, dat is een angst die ons allemaal wel eens overvalt. En het is precies díe angst die Rembo en Rembo zo voortreffelijk hebben weten te uit te buiten.

De Föhn is destijds in vier delen uitgezonden. Deel 1 kunt u hier bekijken. Deel 2 hier. Deel 3 hier. En deel 4 (tevens slot dus) hier. Niet voor gevoelige kijkers.

27 september 2007

Het menselijk tekort op een autovrije zondag

De VVD probeert de jeugd te bereiken
Is er iets treuriger dan politieke partijen die aansluiting proberen te vinden bij de jeugd? Ongetwijfeld. Het verhaal van een alleenstaande Amerikaanse moeder bijvoorbeeld die, wegens gebrek aan een goede ziektekostenverzekering, pas na drie maanden een tandarts vond die bereid was gratis de rottende tand van haar twaalfjarig zoontje te behandelen, wat te laat bleek omdat de ontsteking zich langzaam had uitgebreid richting de hersenen, met de dood tot gevolg. Maar dat is van een treurigheid die het voorstellingsvermogen bijna te boven gaat. Leuk voor een woensdagavondfilm en een verkiezingspraatje van Hillary Clinton, maar niks voor iemand als ik die graag met de nodige afstand naar zijn soortgenoten kijkt en zich louter druk wenst te maken over dingen die er niet toe doen.

Politieke partijen die aansluiting bij de jeugd proberen te vinden, is van een anders soort treurigheid. Een treurigheid die minder heftig is, maar die toch meer met je doet. Waarschijnlijk omdat dergelijke initiatieven het menselijk tekort zo genadeloos tekenen. Zelf denken politieke partijen die aansluiting proberen te vinden bij de jeugd immers goed bezig te zijn, zoals dat tegenwoordig heet. De jeugd bij wie zij zo krampachtig aansluiting zoeken, denkt daar echter heel anders over. En die politieke partijen blijven zich maar afvragen hoe dat komt. En blijven wanhopig pogingen ondernemen om die aansluiting bij die jeugd toch te vinden. En altijd weer met hetzelfde troosteloze resultaat.

hitlerjugend

Toen de jeugd nog wel warm liep voor de politiek.

Maar vanwaar ineens dit exposé over politieke partijen die aansluiting zoeken bij de jeugd, vraagt u zich wellicht af. Nou, omdat zich afgelopen zondag tijdens de even zin- als autoloze zondag in onze geliefde hoofdstad, zo’n tot mislukken gedoemde toenaderingspoging onder mijn raam plaatsvond. Het was rond half twaalf in de ochtend dat mijn lief en ik terugkwamen van een feestje elders in het land. De zon scheen zoals hij nog niet geschenen had sinds wij in ons nieuwe huis wonen, voor het eerst hadden wij de mogelijkheid om onze kater op ons op het westen gelegen balkon eruit te schroeien. Dat was echter buiten de VVD gerekend, die het nodig had gevonden om op het pleintje aan de oostzijde van onze woning een feestje te organiseren.

Toen wij aan kwamen fietsen, meldde Will Smith, op de melodie van Patrice Rushens Forget Me Nots, op oorverdovende wijze dat de mannen in het zwart eraan kwamen. Op het midden van het pleintje zagen wij twee flinke luidsprekers opgesteld. Daartussen had men een draaitafel neergezet, waarachter een neger stond die, deinend op de maat van de muziek, in zijn platenbak naar een volgend vluchtig R&B-hitje uit een nabij verleden stond te zoeken. Aan de rand van het verder volmaakt lege plein stonden drie jong volwassenen in lichtblauwe polo’s gestoken waarop in wit-oranje letters VVD stonden te lezen. Zij keken naar een collegapartijlid die pogingen ondernam een ligfiets onder controle te houden.

VVDJ

De VVDJ.

Ja, u leest het goed: een ligfiets. Een ‘stukje vooruitgang’ in de menselijke mobiliteit waarover ik mij reeds eerder heb opgewonden. Terwijl Rutte en Verdonk in Den Haag zo hard hun best hadden gedaan om ook de Gouden Kooi-generatie voor de politiek te interesseren, leek het de VVD te Amsterdam een goed idee om ter gelegenheid van deze autoloze zondag een vijftal ligfietsen te huren in de hoop massa’s nieuwe leden te werven onder argeloze jongeren.

Op ons balkon bleek de muziek, via een ingenieus weerkaatsingsysteem met de tegenover ons gesitueerde muren, nog harder te klinken dan op straat. Links en rechts en schuin tegenover mij zag ik buurtbewoners met groeiende weerzin de feestgeluiden van de VVD trotseren. Maar hoe zij ook probeerden te volharden in hun pogingen op deze stralende zondagochtend van hun balkon te genieten, het was slechts een kwestie van tijd dat zij zich gewonnen gaven en zich terugtrokken in hun kamers, met deuren en ramen dicht.

Overzichtsfoto1

De geel ge-T-shirde ligfietsers zijn GroenLinksers die tot hun vreugde constateerden dat de door hun georganiseerde carpoolparty (met opblaaszwembaden in de vorm van Cadillacs) een paar straten verderop niet het enige initiatief was waar niemand op zat te wachten.

Het waren aardige jongens die ons te woord stonden. Jongens die het beste met ons en onze wijk voorhadden. Zij hadden inderdaad de hoop dat zij door een feestje te bouwen een informele sfeer konden creëren waarop jongeren van alle leeftijden af zouden komen die dan, verdoofd door beats en ligfietsen, ontvankelijk zouden zijn voor de blijde boodschap van de Volkspartij voor Vrijheid ende Democratie. Dat er nog niemand was komen opdagen behalve een handvol klagers had ook hen teleurgesteld, maar zij wensten de moed niet op te geven: wat niet was kon nog komen.

Mijn lief zei dat ze half twaalf wat vroeg vond om zo genadeloos met Will Smith en soortgenoten geconfronteerd te worden. Ik voegde daaraan toe dat wij het nut van deze poging tot het bouwen van een feestje wel hadden ingezien als ze om een uur of vier in de middag waren begonnen. Om vier uur zou het feestje al afgelopen zijn, kregen wij te horen. Aha, zeiden wij. Vandaar. Ze waren duidelijk geschrokken dat het bij ons op het balkon zo luid had geklonken. Ze beloofden het geluid wat zachter te zetten en herhaalden nog maar eens de hoop dat er al snel van alle kanten buurtbewoners zouden toestromen zodat de geluidsoverlast wat minder zinloos zou zijn.

De eenzame ligfietser

Hoe sterk is de eenzame ligfietser?

De rest van de middag ben ik op gezette tijden even naar mijn raam gelopen om tot mijn niet geringe genoegdoening en tegelijkertijd tot mijn treurnis te mogen constateren dat ook deze poging om een jong publiek voor de politiek warm te maken volledig mislukt te noemen was. De hapjes bleven onaangeroerd, het plein bleef leeg, de stapels flyers even hoog. De ligfietsen werden enkel bereden door fractiegenoten en buurtende GroenLinksers die elders de hoop vermoedelijk al hadden opgegeven en hier troost vonden in de wetenschap niet alleen te zijn. En de neger achter de draaitafels krabde zich vertwijfeld achter zijn koptelefoon, waardoorheen de vraag resoneerde waar en wanneer hij precies zijn street credibility was kwijtgeraakt. Hij zette nog maar eens de hitsingel Wij Willen VVD op en liet alle hoop varen.

24 september 2007

Dagboek van een Schuinsmarcheerder

Harry van Bommel van de SP.
Het zal de geoefende binnenhofwatcher niet ontgaan zijn: aan alle kanten wordt SP’er Harry van Bommel ervan beschuldigd nogal overactief te zijn op het amoureuze vlak. Voor zover wij weten is daarmee voor het eerst in de parlementaire geschiedenis het Geheim van Nieuwspoort geschonden. Via onze lijntjes met politiek Den Haag hebben wij Van Bommel zo ver weten te krijgen om een week uit zijn dagboek aan ons over te dragen. Ongecensureerd, exclusief voor salonblog Pantservuistpuntorg. Met een verrassende ontknoping, kunnen wij u al verklappen. Wij danken de heer Van Bommel voor zijn ongekende openheid. Daar kunnen vele politici een voorbeeld aan nemen.

Maandag 10 september
Harry hier. Op werkbezoek geweest bij de politie te Rotterdam. Zeer vruchtbare gesprekken gehad. Vooral met ene Yolante. Ik weet dat ik op m’n tellen moet passen sinds dat akkefietje met die bitch in Jordanië (die het stiekem maar al te opwindend vond: ik zag haar rillen van genot toen ik mijn tong lillend tussen mijn tanden liet kletteren), maar als ik oog in oog sta met een vrouw in uniform, heb ik mijzelf niet in de hand. Daar kan Dirty Harry niks aan doen. Na het gebruikelijke gezever over de noodzaak van meer blauw op straat (roep de smurfen, denk ik dan altijd), probleemjongeren en de beperkte bevoegdheden (waar ik allemaal keurig en geduldig antwoord op gaf), kon ik me eindelijk terugtrekken in een hotelletje met Yolante. Het heeft anderhalf uur gekost voordat de hoteleigenaar op mijn hulpgeroep afkwam, en met een betonschaar de handboeien wist door te knippen. Ik zie het maar als teasen: de volgende keer dat ik Bureau Spangen bezoek, zal ik haar eens stevig op d’r falie geven. Stoute meid! De weg terug naar Diemen verliep rustig. Tegen Duif gezegd dat ik aan de kant van de weg anderhalf uur met Jan over Yildirim heb gesproken. Ga nu slapen.

Harry van Bommel moet plassen

Tijdens Van Bommels beëdiging kijkt Jan Marijnissen licht gegeneerd voor zich uit nadat hij ongewild heeft waargenomen hoe het kwam dat Harry's bloemetje een heel klein beetje naar voren schoof toen hij zijn trouw aan onze vorstin zwoer.

Dinsdag 11 september
Zes jaar geleden alweer. Wat vliegt de tijd. Het is half vijf in de nacht. Ik droomde zojuist dat ik een jonge Natasja Kinski aan het peren was in een van de Twin Towers. Op m’n hoogtepunt kijk ik recht in de ogen van Mohammed Atta, vlak voordat het vliegtuig onze toren zou doorboren. Uiteraard werd ik toen wakker. Met een natte onderbroek. Als een dief in de nacht liep ik naar de ladekast waar mijn onderbroeken liggen. Er lag nog maar één onderbroek in: mijn lucky underpants. Ik aarzelde even, maar besloot toen de natte onderbroek die ik aan had binnenste buiten te keren. Het is ongepast je geluksonderbroek te dragen op een beladen dag als de komende. Vandaag is het ook nog eens precies 34 jaar geleden dat Salvador Allende door Pinochet werd vermoord. Ik zal het nooit vergeten. Ik was 11 jaar toen het gebeurde. Het heeft me zeg maar wakker geschud. M’n onderbroek is droog nu, ik stap weer terug in bed.

Van Bommel in een ligfiets

Velen vroegen zich die dag af of Harry van Bommel gek geworden was toen hij een minuut lang, onder het herhaaldelijk uitschreeuwen van de naam Agnes Kant, zijn gloednieuwe ligfiets heftig heen en weer schudde.

Woensdag 12 september
Was vandaag weer eens zo geil als boter, voor de verandering. Wat is het toch heerlijk dat de SP zo gegroeid is. Elke dag ontmoet ik wel weer wat nieuw vlees. Vandaag komt er een nieuwe receptioniste die door Sadet is aangenomen. Ik hoop op iets exotisch. Heb speciaal voor de gelegenheid m’n lucky underpants aangetrokken. Vast wc-ritueeltje voordat ik mijn slag ga slaan: ik kijk in de spiegel, met m’n Dirty Harry-blik. Do you feel lucky, punk! Zeg ik tegen mezelf. Do you?! Ik sla mezelf een paar keer op beide wangen, loop de wc uit en been richting de receptie. Mijn gang wordt ietwat bemoeilijkt door de opgewonden staat waarin mijn zeer gewaardeerde SP-lid zich reeds bevindt. Bij de receptie zie ik Sadet net teruglopen naar haar kamer. Achter het bureau zit een ultraheet studentje wat onwennig en onzeker om zich heen te kijken. Voorzichtig beginnen, zeg ik tegen mezelf en stel me allercharmantst voor. Ze heet Elsbeth en zit in haar laatste jaar antropologie. Wilde alvast wat van de praktijk proeven. En waar kun je dat beter doen dan bij de SP. Ik beaam dat en hoor mezelf vragen of ze eigenlijk weet waar SP voor staat. Socialistische Partij, zegt ze. De schat. Ik laat haar naar me toe buigen, zodat ik goed in haar decolleté kan kijken. SP staat voor Stijve Pik, hijg ik in haar oor, en laat Elsbeth naar het strakgespannen deel van mijn vilten broek kijken. “Zeg maar wanneer je ‘m wilt proeven.” De kop koffie die ik in m’n gezicht krijg, is gelukkig al een beetje afgekoeld. Tijdens de vergadering over de te voeren strategie tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen van volgende week vraagt Jan geërgerd of ik niet op z’n minst even een schoon overhemd had kunnen aantrekken. Ik zeg dat ik een ongelukje heb gehad en knipoog samenzweerderig.

Harry's bar.

Diederik Samson kijkt heimelijk toe hoe Harry nu precies zijn beroemde Bellini maakt waarmee hij, naar eigen zeggen, 'menig studentje nat als een dweil' mee heeft gekregen.

Donderdag 13 september
Om mijn geluksonderbroek eer aan te doen, heb ik gisteravond laat Rosita nog een veeg gegeven in een van de kamertjes van Nieuwspoort. Had het hier al een tijdje niet meer gedaan, maar nu moest het gewoon. De laatste keer was vlak voor de kerstvakantie in 2003. Tanja en ik hadden het perskamertje van JP uitgekozen om de neukpartij van ons leven te laten plaatsvinden. Of toch tenminste die van haar, vermoed ik. Ze had wel wat raar gekeken toen ze mijn lucky underpants voor het eerst onder ogen kreeg, die inmiddels meer uit gaten dan uit stof bestaat. Maar toen kleine Harry ineens door een van die gaten tevoorschijn sprong, verdween haar afkeer. Moegestreden waren we naar afloop in slaap gevallen op het stoeltje waar Ferry Mingelen altijd zit als JP z’n persconferenties houdt. Mijn broek op m’n knieën, Tanja op m’n schoot. Nadat wij die ochtend door personeel van Nieuwspoort zo werden aangetroffen, ben ik er een tijd niet meer geweest. Maar inmiddels durf ik het wel weer aan. Hoewel het gevaarlijk is natuurlijk. Je moet maar vertrouwen op de discretie van je collega’s. Het werd een beetje een routineveeg. Tegen Duif gezegd dat de aankomende prinsjesdag een hoop overwerk vereist.

Mark en Rita.

Daags na de beruchte kerstborrel van 2003. Het gerucht dat Harry van Bommel is betrapt met een jong ding uit de achterban gaat als een lopend vuurtje door de Tweede Kamer. Buiten het zicht van de camera neemt Harry hier, enigszins overrompeld, de felicitaties van Mark en Rita in ontvangst.

Vrijdag 14 september
Godverdomme. Ik kreeg zojuist een verontrustend telefoontje van De Telegraaf. Zwaantje schijnt alles te hebben verteld. Zelfs mijn lucky underpants zijn ter sprake gekomen. Of al mijn onderbroeken vol gaten zitten, vroeg die journalistenhond. Morgen pakt De Telegraaf er groot mee uit. Het net sluit zich en ik zit gevangen. Vervloekt zij de dag dat ik met Zwaan en Rob Oudkerk in één bed belandde. Hoe moet ik dit Duif vertellen?

Zaterdag 15 september
Duif slaapt woedend. En ik bezopen. Knalbozopen. Ze willen me hebben. Kapot bedoel ik. Helder denken, vaarwel. Hele dag telfoontjes. Kan ze niet antworden. Duif slaapt. Lieve kleine mannetje ook. Droom lekker julie tweee. Harry is stom geweest. Zo ontzettend stom. Klootzak. Ik denk dat Verhagen achter zit. Net als bij die Jordaansche. Vuile katolieke kerkrat. Verklikker. En het erge is dat er nooit iets gebeurt is. Hetzijn alleen maar woorden gewees. Grootspraak van ne zielig klein mannetje. Ik ben zo zielg. Zo ondzettend zielig. Het was toch gehiem. Dat hadden we toch afgesproken? Warom ik? Godverdome. Het gaat om Suriname. Dat mag niet bove komen. Duif gaat me wel gelofen. Er is nooit ies gebeurt. Alles verzonnen. Alles. Niks. Alles. Kutzoi. Het spijt me zo, lief dagboek. Zo spijt.

Ledenvergadering.

Tijdens een ledenvergadering in Boxmeer rijst de vraag aan wie van de aanwezigen Harry van Bommel ooit iets over zijn seksuele escapades heeft losgelaten.

Zondag 16 september
Enorme koppijn. Duif heeft nog niks tegen me gezegd vandaag. Jan belde zo net. Heb ‘m weggedrukt. Hoef even niemand te spreken. Toen Mao aan Kissinger vroeg hoe het kwam dat een lelijke dikke ouwe jood als hij zoveel aandacht van vrouwen had, antwoordde Kissinger dat macht een krachtig afrodisiacum is. Toen ik dat hoorde besloot ik de politiek in te gaan. Maar het viel tegen. Ik denk dat ik in het verkeerde tijdperk ben geboren. Ik kreeg vooral veel klappen in mijn gezicht. Met de vlakke hand, wat dat betreft zullen vrouwen denk ik nooit veranderen. Op een gegeven moment merkte ik dat het ook andersom werkte. Dat seks macht kan bezorgen. Hoe meer ik liet doorschemeren dat geen vrouw veilig was voor mij, hoe meer aanzien ik kreeg. Zolang mijn reputatie mij vooruit snelde steeg ik op de SP-ladder. En nu krijg ik het terug. Waarom? Daar ga ik eens heel hard over nadenken. Ik vermoed dat Maxime Verhagen erachter zit. Ik weet het zelfs zeker. Die zou me graag kapot zien. Ik moet monddood gemaakt worden. J. Edgar Hoover-style. Ik heb een steen opgelicht die niet opgelicht had mogen worden. Hoe meer ik erover nadenk, hoe zekerder ik ben dat het om de nipt afgeblazen invasie in Suriname gaat. Onze eigen Bay of Pigs. Met Bouterse in de Castro-rol. Er zitten lijken in de kast van onze regering. En die lijken moeten er in blijven. Koste wat kost. Maar eens zullen ze eruit vallen. De waarheid zal gekend worden.